Multiculturele samenleving bestaat niet

Prof. dr. Jan Brugman gelooft nog eerder in God dan in een multicultureel Nederland. Bij de jurist en oud-hoogleraar Arabische taal- en letterkunde aan de Rijksuniversiteit Leiden roepen pleidooien voor een multiculturele samenleving een mengeling van woede en afkeer op....

DE ARABIST Brugman richt in zijn jongste boek zijn pijlen onder meer op Ed van Thijn, oud-burgemeester van Amsterdam en oud-minister van Binnenlandse Zaken die een warm voorstander is van een multiculturele samenleving. 'Ik heb me onuitsprekelijk geërgerd aan die vaagheid van Van Thijn toen hij als kersvers hoogleraar in 1997 op de Cleveringa-leerstoel in Leiden orakelde over tolerantie en begrip', zegt Brugman.

'Het was vaag en zelfingenomen geleuter. Als je een multiculurele samenleving wilt, moet je de culturen die je wilt laten samenleven, ook goed kennen. Je moet de taal kennen. Van Thijn gaf kreten over liberalisme, integratie en één grote maatschappij van broeders en zusters. Van een hoogleraar verwacht je toch wat heldere begrippen.' Van Thijn bekleedde een jaar de Cleveringa-leerstoel, die bedoeld is om maatschappelijke problemen aan de orde te stellen.

De titel van Brugmans boek, Het raadsel van de multicultuur, is ironisch. Multicultuur bestaat niet en van een raadsel is geen sprake. Je hebt de westerse cultuur en je hebt de islamitische cultuur. 'De islam heeft een eigen cultuur en bevat onderdelen die niet bij onze cultuur passen. Dat moeten we onder ogen zien. Juist mensen die de cultuur, de taal helemaal niet kennen, hebben de mond vol van multiculturaliteit.'

Helemaal geïrriteerd raakt Brugman als mensen een multiculturele samenleving en integratie op één lijn stellen. Er is maar één cultuur, de Nederlandse, en het idee dat er iets mogelijk zou zijn als integratie met behoud van eigen cultuur, is een contradictio in terminis. 'Het is niet de muziek, het eten of de kleren van allochtonen die een probleem voor de samenleving zijn. Het probleem is dat er zulke grote groepen minderheden zijn. Wat dertig Koreanen hier doen, maakt niet zoveel uit. Zij gaan verloren in de grote massa. De omvang van de groepen moslims, Turken en Marokkanen, dat is lastiger.'

Het grootste probleem voor integratie vormt het islamitisch recht, vindt Brugman. Hij staat op en loopt naar een van zijn ruim gevulde boekenkasten om een aantal islamitisch-juridische standaardwerken te laten zien. 'Wij kunnen ons dat niet voorstellen, al die juristerij, die regeltjes. De islam pretendeert meer te zijn dan een geloof in God en het hiernamaals. Hij geeft regels voor het hele leven en de invloed van het islamitisch recht moet u niet onderschatten. De religie is door en door juridisch.' Theologie (Kalam) speelt in de islam een relatief bescheiden rol.

De basis van de islam is de Koran, het letterlijke woord van God. Daarna komt de wet (sjaria) en de traditie (hadith). De islamitische wet was niet af, toen Mohammed in 632 stierf. Twee eeuwen later creëerde Al-Shafi'i als eerste een min of meer volledig rechtssysteem. In de elfde eeuw werd dit systeem afgesloten met een veertien delen tellend rechtsboek van de jurist Al-Sarakhsi. Sinds die tijd, zegt Brugman, is er weinig veranderd.

Het islamitisch recht is geleerdenrecht en geen recht uit de praktijk. Dat wreekt zich in de moderne tijd. 'Voor fundamentalisten is dat geen probleem. Zij beroepen zich op de sjaria, zonder iets van de wet te kennen, om hun zin door te drijven.' Volgens hem is er in de islamitische wereld een schreeuwend gebrek aan theologen, juristen en filosofen die de islam 'bij de tijd' kunnen brengen. De islam is gestolde traditie.

Jonge moslims in West-Europa kunnen zich nergens op richten. Er is geen modern islamitisch referentiepunt en uit Nederland zal de Verlichting ook niet komen, want 'wij zitten met moslims die het meest fundamentalistisch zijn. Niet in terroristische zin, maar in letterlijke zin. Moslims hier stellen vormen en regeltjes heel erg op de voorgrond. Ze zijn niet echt op de hoogte van de islam en zijn wetten.'

Brugman wijst erop dat rechtsgeleerden van fundamentalistische snit veel verder gingen dan de Koran. Zo stond op echtbreken honderd stokslagen, maar Allah's woord was kennelijk niet genoeg: het werd steniging. De duidelijkheid die fundamentalisten willen bieden, vindt Brugman niet terug in de islamitische wet. Neem de kledingvoorschriften.

'Het aardige is dat je nooit van de islamitische wet kunt zeggen: zo zit het. Als je vraagt of het dragen van een hoofddoekje een essentieel element van de islam is, dan krijg je een enerzijds/anderzijds antwoord. Kijk maar om je heen, hier of in Caïro. Je ziet steeds meer sluiers. Dat zijn fundamentalistische vrouwen, maar er zijn meer moslimvrouwen die géén hoofddoekje dragen. Daar hebben ze volgens de wet ook recht op.'

Het mooie van de islam, vindt Brugman, is 'dat het een sterk en eenvoudig geloof is, hoewel ik niet zeker weet of ik dat zo mooi vind. In ieder geval leent de Koran zich in theorie beter voor de moderne samenleving dan de Bijbel. Het boek is wat rationeler, je hebt geen sprekende slang of een schepping van de wereld in een paar dagen.

'Het zwakke is de algemeen bestaande overtuiging dat de Koran en de grondslagen van het rechtssysteem door Allah zijn vastgesteld, voor altijd en eeuwig geldig zijn, en niet gewijzigd kunnen worden. Dat gaat niet. Niet dat veel moslimintellectuelen daar nog in geloven, maar ze kijken wel uit om dat hardop te zeggen.'

Brugman houdt van understatements maar is er niet minder uitgesproken om. Voor diplomaat was hij niet in de wieg gelegd. Toch werkte hij elf jaar op de ambassade in Caïro. 'Ik begon als derde secretaris, toen tweede secretaris en ten slotte eerste secretaris. Daarna ben ik weggegaan. De lucht werd me op die ijle hoogten te dun. Los daarvan was men destijds ook niet zo geïnteresseerd. Als ik de ambassadeur vroeg of we Den Haag misschien niet moesten melden dat er een nieuw kabinet was of zo, zei hij: 'Knip het maar uit de krant, dan sturen we het op.' Eenmaal terug promoveerde hij en werd hij hoogleraar.

Toen Brugman in 1948 voor het eerst in Caïro kwam, kreeg hij al te horen dat moslims alleen de techniek uit het Westen moesten overnemen. De spirituele waarden van de eigen cultuur moesten bewaard blijven. Maar hij zag al snel dat alles verwesterde, inclusief de moderne Egyptische literatuur waarover hij een standaardwerk schreef. 'Hoe welvarender moslims hoe westerser ze worden', constateert hij.

Dat geldt ook voor Marokko. 'Ik moest een lezing geven in Rabat over Arabische studiën in Nederland. Hier zie je veel orthodoxe mensen uit de bergen. Maar Rabat bleek als universiteitsstad niet veel te verschillen van een willekeurige Nederlandse universiteitsstad. De boekwinkels, de infrastructuur en de Marokkaanse intellectuelen die ik sprak, deden me versteld staan. Ze hebben een andere kerk, maar meestal geloven ze net zomin als de grote meerderheid in Nederland.'

Een van de grootste stenen des aanstoots vindt hij het onderwijs in eigen taal en cultuur voor Marokkanen en Turken. Dat moet afgeschaft worden. 'Renate Rubinstein, die ik goed heb gekend - ook een immigrantenkind - vertelde me dat haar mooiste moment op de lagere school was dat zij in de klas een gedicht in het Nederlands mocht opzeggen. Ze zou het vreselijk gevonden hebben als ze uit de klas was gehaald om eigen taal en cultuur te doen. Dat vind ik ook. Je moet de mensen erbij betrekken. Ook die islamitische scholen met al die toestanden, idioot gewoon. Kinderen moeten de Nederlandse cultuur onderwezen krijgen en Nederlands leren.'

Brugman vindt de positie van moslimvrouwen de sleutel tot integratie. 'Rechten van vrouwen vind ik essentieel. Daar moeten we geen enkele concessie doen. Tegen de zin uithuwelijken of de gemakkelijke manier van scheiden door verstoting gaan naar mijn mening in tegen de openbare orde. Daar bedoel ik geen ordeverstoring mee. Het is een juridisch begrip dat zegt dat we een aantal zaken zoals die in de Nederlands samenleving zijn geregeld, zo belangrijk vinden dat we andere rechtssystemen niet toepassen.'

Uiteindelijk zal het in Nederland misschien met de moslims wel goed komen. 'Zeker in Nederland is er geen al te grote reden voor frustratie onder moslims. We zijn niet zo dat we buitenlanders koeioneren. Het zijn er gewoon een beetje veel. We naderen de grenzen van de opnamecapaciteit.'

Toch is hij nu somber. Hij vreest 'onlusten met onaangepaste jongeren'. 'Ik was onlangs op bezoek bij mijn dochters die in Amsterdam studeren. Ze zaten te praten met vriendinnen die net als zij op straat waren lastiggevallen of beroofd. Toen merkte ik tot mijn verbazing dat ze het niet nodig vonden om te zeggen dat het om Marokkanen ging. Het waren gewoon altijd Marokkanen.'

Meer over