Muisarm is een kwestie van ruizigheid

Emoties en stress spelen een rol bij de manier waarop de mens beweegt en ze zouden daarom mede RSI kunnen veroorzaken....

SOMMIGEN zweren bij een lubberige gel-rol om de polsen op te leggen, anderen hebben baat bij steunen aan het bureau, speciale armleuningen of homeopathie. Een computerprogramma kan het scherm op zwart laten springen om de armen en schouders rust te geven. En als alles faalt, kan een operatie de beschadigde zenuw nog uitschakelen om de pijn weg te nemen. RSI (Repetitive Strain Injury) rukt op en maakt werkgevers en werknemers bezorgd.

'Maar voor het eerst is het nu mogelijk het mechanisme achter de kwaal te meten', zegt prof. dr. G. van Galen, de pasbenoemde hoogleraar psychologische functieleer aan de Katholieke Universiteit Nijmegen. 'RSI, of de muisarm, is niet nieuw, het heette vroeger schrijverskramp of typekramp. De oorzaken zijn voor een flink deel nog onbekend. Maar vaststaat nu dat stressfactoren een grote rol spelen bij het ontstaan van de problemen. Niet alleen mensen zijn daar gevoelig voor: ik ben ervan overtuigd dat je een rat ook RSI kunt bezorgen.'

Van Galen doet in het Nijmeegs Instituut voor Cognitie en Informatie (NICI) onderzoek naar de processen die een rol spelen bij bewegen. Volgens hem is goed bewegen meer dan een kwestie van fysiologisch intacte spieren, onbeschadigde botten, pezen en banden. 'Elke beweging is een benadering van een doel. Of we erin slagen dat doel te bereiken, hangt af van allerlei factoren.'

Van Galen geeft daarvoor graag voorbeelden uit de sport. Zoals de soms onnavolgbare wijze waarop een voetballer erin slaagt een bal via een perfect gekozen kromming in het doel te schieten. Is dat toeval of is het pure motorische vaardigheid? Het laatste, zegt Van Galen.

Of het goed gaat of fout, is echter niet alleen een kwestie van aanleg of techniek, het heeft ook te maken met spanning, fysische stress en mentale belasting. Mensen moeten daarmee leren leven. 'Ruis', noemt Van Galen dat. 'En het is nieuw om deze ruizigheid te bestuderen.' En dat is wat hij doet in Nijmegen.

Alles wat mensen doen, wordt gekenmerkt door die ruizigheid. Geen twee bewegingen zijn precies hetzelfde. De kracht van de spieren en van het spiersysteem wisselt. Van Galen vergelijkt spieren graag met de pijpen van een kerkorgel. Voor elke beweging heb je een voortdurend wisselende combinatie van pijpen nodig: soms grote, soms kleine, afhankelijk van wat er wordt beoogd. En die keuze heeft kenmerken van toeval.

Van Galen stelt zich de vraag hoe die fluctuaties in de tijd verlopen. 'De wisseling in prestaties van het spiersysteem hangen samen met de grootte van de spierkracht en met de bijbehorende stress en emoties. In de loop van de evolutie heeft de mens allerlei biomechanische strategieën ontwikkeld om de ruizigheid binnen de perken te houden en zo de taak tot een goed einde te brengen.

Maar die evolutie kan ook allerlei vormen van spierstijfheid veroorzaken. Als bij iemand de ruis toeneemt, zal hij zich meer gaan inspannen, door bijvoorbeeld harder op zijn pen te drukken of sneller te bewegen. Stress, bijvoorbeeld door langdurig lawaai of door mentale belasting omdat iets snel af moet of omdat een tekst ingewikkelde woorden bevat, speelt daarbij een grote rol.

Van Galen onderzoekt en meet in zijn psychologisch laboratorium het motorisch gedrag en de invloed van stress daarop. Voor dat onderzoek wordt soms zeer kostbare, speciale apparatuur gebruikt, maar ook gewone computers en toetsenborden komen eraan te pas. Met grafische hulpmidelen worden bewegingen van een hand met pen vastgelegd. Camera's registreren wat afzonderlijke ledematen doen en weer andere technieken worden aangewend om de hersenactiviteit te meten.

In het laboratorium van Van Galens groep - een raamloze kamer - staan verschillende computers. Hoog tegen de muur, bij het plafond, hangt een soort langwerpige balk met drie camera's. Daarmee worden driedimensionaal de bewegingsgpatronen van de proefpersonen vastgelegd.

Op de nagels van de wijsvingers worden infraroodlampjes geplakt, waarmee in combinatie met de computer en een speciale camera, een zeer precieze registratie van vingerbewegingen mogelijk is. Tegelijkertijd registreren elektroden, bevestigd op verschillende spiergroepen in de arm, de spieractiviteit die te maken heeft met het verplaatsen van de wijsvinger. De proefpersonen moeten een tekst intikken waarbij in elke zin een moeilijk woord staat dat extra aandacht vergt.

Om het stresskarakter van de situatie te verhogen, wordt vóór het intypen van de tekst een toon geproduceerd. De proefpersonen wordt gevraagd naar die toon te luisteren, de toonhoogte te onthouden en na het intikken van de tekst te rapporteren of die toon hoog of laag was. Zo wordt op twee manieren stress geproduceerd: door geluid en door moeilijke woorden. Gemeten wordt daarbij de positie van de hand en de samentrekkingen van de spieren.

'Ik zag allerlei fluctuaties in de bewegingsfactoren. Moeilijke woorden die moeten worden ingetikt, komen trager op papier, of op het scherm in dit geval, omdat de hersenen bezig zijn met de spelling. De bewegingen worden stijver, wat tot vertraging leidt.

'Het versterken van het geluid of extra opdrachten kunnen de ruizigheid vergroten. Die ruis in de bewegingen konden we niet zien met het blote oog. Maar met de nieuwe apparatuur kan dat nu wel.'

Soms kan het te veel eisen van de mens om alle ruis de baas te blijven en toch goed werk af te leveren. Dan ontstaan er problemen. Normale stress verbetert in eerste instantie vaak het resultaat van de taak, maar als stressfactoren zich opstapelen, bijvoorbeeld veel en langdurig lawaai in combinatie met een hoge mentale belasting, kan dat leiden tot narigheid.

Mensen die met een muisarm te maken krijgen, hebben volgens de onderzoekshypothese last van zo'n stapeling van stressfactoren. Het kan liggen aan de taak zelf, aan omgevingsfactoren (verkeerde houding), of persoonlijke aanleg of omstandigheden. 'Het is dus niet een simpel mechanisch probleem. Er is veel meer aan de hand', zegt Van Galen.

Hij verwijst naar Amerikaans onderzoek bij apen die bepaalde bewegingen steeds weer moesten herhalen voordat ze een beloning kregen. Schouderbewegingen, zo bleek na verloop van tijd uit metingen, veroorzaakten geen beschadigingen in de hersenen. Maar bij bewegingen die een hoge precisie vereisten, werden na twintig weken wel beschadigingen gevonden. Dergelijk hersenonderzoek is bij mensen niet gedaan, maar de Amerikaanse resultaten lijken wel een ondersteuning van de hypothese dat een hoge mate van precisie en veel stress meer kans geven op beschadigingen van spieren en zenuwen, aldus Van Galen.

Zijn onderzoek en zijn bevindingen beperkt Van Galen niet uitsluitend tot de muisarm. Op dezelfde wijze kunnen ook de achtergronden van stotteren en het vervalsen van een handtekening worden onderzocht. Bij een echte en een vervalste handtekening verschilt de dynamiek. Deze dynamiek is persoonsgebonden, zegt Van Galen. 'Er zijn drukverschillen, verschillen in kracht- en snelheidspatronen. Een vervalste handtekening laat geen vloeiende beweging zien.'

En bij stotteraars is de ruis hoger dan bij niet-stotteraars. Bekend gegeven is dat stotteraars onder stress erger gaan hakkelen. Ze moeten meer moeite doen om het spraakprobleem de baas te blijven.

Voor het onderzoek dat Van Galen doet, werken psychologen samen met wiskundigen, natuurkundigen, informatici en medici. 'Motorisch onderzoek kan alleen maar interdisciplinair tot stand komen. Het is een zaak van groepen geworden.'

Suzanne Baart

Meer over