Motoren uit de baan

Wielrennen achter grote motoren, het 'stayeren', was vooral begin vorige eeuw hoogst populair. Het was spannend, gevaarlijk en het ging hard....

door Gijs Zandbergen

VRAAG: Wie werd vorig jaar wereldkampioen stayeren?

Antwoord: Niemand. Want er wordt al sedert jaren geen wereldkampioenschap meer verreden.

Toch is het nog niet eens zo heel lang geleden dat in De Goffert in Nijmegen, De Galgenwaard in Utrecht en in het Olympisch Stadion in Amsterdam duizenden toeschouwers rechtop gingen zitten als de omroeper aankondigde: 'Motoren in de baan!'

Dan duwden in zwartleren pakken gestoken mannen hun vreemde 1000-cc-motoren de baan op en begonnen ze rechtop zittend hun rondjes in de betonnen bak te rijden. Het typische zware geluid van een lange cilinderslag weerklonk tussen de wanden van het stadion. Intussen stonden langs de reling van de baan een stuk of acht zwaar gehelmde wielrenners gereed op fietsen met een omgekeerde voorvork en een klein voorwiel.

Als de motoren waren warmgedraaid, trokken de renners zich langzaam in gang, zochten hun gangmaker en reden met een snelheid van tachtig kilometer per uur een wedstrijd die bijna altijd pas op het laatst werd beslist.

Dat is voorbij. Een van de meest spectaculaire vormen van wielersport is dood. Nou ja: bijna dood. In het Duitse Chemnitz is het afgelopen najaar een Europees kampioenschap stayeren verreden. Maar wie gewonnen heeft, kan men zelfs in het blad Wieler Revue niet terugvinden.

Daarmee is in zekere zin een natuurlijk einde gekomen aan een sport die honderd jaar geleden begon en die vervolgens een bestaan heeft geleid dat te vergelijken is met een mensenleven: na een periode van groeistuipen en puberaal gedrag kwamen de bloei en de kracht van de jaren twintig en dertig. Daarna werd ze in de jaren vijftig en zestig conservatief. Om ten slotte, zo vanaf haar zeventigste jaar, in verval te geraken. In de jaren tachtig is ze doodziek geworden en nu ze honderd is, wordt de patiënt kunstmatig in leven gehouden.

Van alle levensfasen die de stayerij heeft gekend, springt de beginperiode eruit als de meest spectaculaire.

Die puberteit begon rond de voorlaatste eeuwwisseling. Wielrijden en wielrennen was tot 1900 nog een bezigheid voor de deftige burgerij, die zich zo'n kostbaar rijwiel kon veroorloven. Door het dalen van de productiekosten en de daarmee gepaard gaande groei van de rijwielindustrie kwam de wielersport echter binnen het bereik van de lagere klassen. Wielrennen werd zelfs een zeer populaire volkssport, waarin enorme bedragen konden worden verdiend door mensen die daarvoor nog in armoede leefden. Naast het wielrennen op de weg (de Tour de France werd in 1903 voor het eerst gehouden), bloeide het wielrennen op de baan.

Met name het stayeren schoot als een komeet omhoog. Werd voor die tijd nog met 'levende' gangmaking, met een tandem, gereden, de uitvinding van de luchtband en de benzinemotor schiepen ongekende mogelijkheden. Toeschouwers konden op banen gaan kijken naar wielrijders die achter een motor ongelooflijke snelheden bereikten. Soms gingen ze wel negentig kilometer per uur. Zo hard reden de treinen en de automobielen in die tijd niet eens. Een auto kon in theorie zo'n snelheid aan, maar in de praktijk waren de wegen er nog te slecht voor.

Vooral het overduidelijk aanwezige element van gevaar droeg bij aan de populariteit van het stayeren. De renners reden zo dicht mogelijk achter de motor om zoveel mogelijk van de zuiging te profiteren. Maar het materiaal was nog van inferieure kwaliteit. Bovendien werden er in die eerste tijd geen valhelmen gedragen. Het gevolg was dat wie durfde veel geld kon verdienen, maar ook grote risico's liep.

Meermalen gebeurden er ongevallen met dodelijke afloop. Zo werd op 18 juli 1909 op de wielerbaan Het Karreveld in Brussel een stayerswedstrijd om de Grote Prijs van de Koning verreden, bijgewoond door koning Leopold II zelf. De wedstrijd werd gewonnen door de razend populaire Antwerpenaar Charles Verbist, een 26-jarige ex-metselaar, die door zijn manier van rijden (en zijn sociale afkomst) een volksheld was geworden.

Door het grote succes van de wedstrijd werd er drie dagen later opnieuw een uitgeschreven. En opnieuw leek Verbist te gaan winnen, tot groot enthousiasme van het volgepakte stadion. Maar in de laatste ronde kreeg gangmaker Ceurremans een klapband. De motor begon te slingeren. Verbist reed er tegenaan, verloor de macht over het stuur en klapte tegen de balustrade. Hij krabbelde op, maar werd overreden door een achterop komen gangmaker, die hem niet meer kon ontwijken. Enkele minuten later stierf Verbist onder de ogen van duizenden verbijsterde toeschouwers. Zijn overlijden dompelde België in diepe rouw en hij kreeg een begrafenis als een vorst. Uit die tijd stamt het Vlaamse volksliedje:

Charelke, Charelke Verbist,

Had hij niet gereje op de pist,

Had hij niet gelegen in de kist.

De dood van Verbist drukte de autoriteiten nog eens op de noodzaak dat de stayerij gereglementeerd moest worden. In Duitsland, de bakermat van de stayersport, was men er al eerder mee begonnen. Daar vonden op de tientallen banen veel meer ongevallen plaats. In de zomer van 1908 was in de Bothanische Garten in Berlijn de gangmaker Fritz Reizer over de balustrade gevlogen en in het publiek terechtgekomen. Negen mensen, onder wie een gezin met twee kinderen, kwamen om.

Twee weken later reed in Chemnitz de gangmaker Wolff met een klapband het middenterrein op, waarbij een Franse soigneur verongelukte.

De Duitse overheid verbood op stel en sprong alle stayerij, maar dat veroorzaakte bijna een volksopstand. De tientallen mensen die in de stayerij hun brood verdienden, organiseerden zich en richtten zich tot de overheid. Die kreeg niet graag de volkswoede over zich heen en men kwam tot een compromis.

Er werden regels ingevoerd, zoals het verplicht dragen van een valhelm. De gangmakers mochten niet meer te ver achter op de motor zitten (om steigeren te voorkomen) en zij moesten allemaal dezelfde maat kleding dragen, zodat de renners achter dikkerds niet bevoordeeld werden; slanke gangmakers konden hun pak tot maximale dikte opvullen. Daarnaast kreeg de motor een rol aan de achterkant, zodat de renner niet te dicht op het motorwiel kon rijden. Door deze regels ging de snelheid omlaag en de kans op ongevallen werd kleiner. Na de Eerste Wereldoorlog waren daarmee de spectaculairste ongevallen wel voorbij, maar de regels moesten toch telkens opnieuw worden aangepast, omdat het materiaal steeds verbeterde en daarmee de snelheden weer omhoog gingen.

In de jaren twintig en dertig werd een zeker evenwicht bereikt: de stayersport raakte in de kracht van zijn leven. Het materiaal had een bepaalde kwaliteit gekregen en door de sterk verbeterde infrastructuur ontstond een circuit van renners en gangmakers die een goede boterham verdienden door per trein de Europese wielerbanen langs te reizen. Vooral een combinatie met wedstrijden tussen sprinters, van wie er ook tientallen profs in Europa waren, deed de stadions volstromen. Tienduizend toeschouwers waren heel normaal bij een wedstrijd tussen twee stayers, zeker als een van de twee renners Victor Linart heette, of in Nederland Frans Leddy of Jan Snoek. Zij waren de garantie voor een uitverkocht huis.

Dat succes betekende tevens het begin van de neergang. Na de Tweede Wereldoorlog vergrijsde het circuit nog sterker dan het daarvoor al deed. Met name de gangmakers wilden de spoeling dik houden en lieten slechts mondjesmaat nieuwkomers toe. Dat toetreden lukte alleen degenen die tot een bepaald slag mensen behoorden. Om gangmaker te zijn moest je tenminste gevoel voor verhoudingen hebben. Hun leiders gingen combines aan met andere gangmakers en bepaalden onderling de uitslag van de wedstrijd. Anders gezegd: het waren steeds minder de renners die een gangmaker kozen, als wel de gangmakers die een renner zochten om achter zich te laten rijden. Op den duur kreeg het stayeren de naam een aangelegenheid vol stiekum geregel te zijn die steeds minder met zuivere sport te maken had.

Dat het toch nog zo lang heeft kunnen bestaan, komt doordat het spel goed werd gespeeld. Tot men er niet meer in geloofde. Daarnaast speelde nog een triviaal technisch aspect een rol. De ouderwetse 1000-cc-stayersmotoren raakten versleten. Ze werden allang niet meer gemaakt. Op zoek naar vervanging kwam men begin jaren zeventig uit op de lichtere motoren van maximaal 650 cc. Met deze machines bleek de snelheid moeilijker te doseren. Een renner achter een ouderwetse motor kon, als hij van de rol was geraakt, of als een aanval was mislukt, nog recupereren. Bij de nieuwe, lichtere motoren bleek dat veel moeilijker. Gelost was vaak voorgoed gelost en dat maakte een race voor de toeschouwers minder aantrekkelijk.

Zo stierf de stayersport een stille dood. Het laatste wereldkampioenschap dateert van 1994. In het nabije buitenland, waar het baanwielrennen iets meer leeft dan in Nederland, wordt nog wel in baanprogramma's achter de motor gereden en als er een interessante sprintwedstrijd aan wordt gekoppeld, trekt het nog publiek ook.

In Nederland echter lijkt de strijd verloren. Op de wielerbaan van Alkmaar bestaat een clubje van een kleine vijftien renners, dat onder leiding van bondscoach en oud-wereldkampioen Piet de Wit zo nu en dan stayert. Internationaal stelt het weinig voor. Bij het Europees kampioenschap in Chemnitz werden de Nederlanders Ronald Rol en Patrick Kops zesde en achtste. Winnaar werd de Duitser Carsten Podlesch, die zich al zes jaar lang de laatste wereldkampioen mag noemen.

Meer over