Mortier tracteert Salzburg op grote denkers van Europa

Dragen festivals als de Salzburger Festspiele nog bij aan de ontwikkeling van de kunsten, staan ze nog in contact met de levende kunsten, of hebben ze slechts een conserverende, ja zelfs een zuiver consoliderende functie?...

MICHAEL ZEEMAN

Van onze verslaggever

Michaël Zeeman

SALZBURG

Bevestiging of vernieuwing, om die vraag ging het tijdens de eerste 'Festspiel-Dialog' van de aflevering-1996 van het festival.

Die dialogen zijn een betrekkelijke nieuwigheid waarmee de intendant van de Salzburger Festspiele, Gerard Mortier, twee jaar geleden begonnen is om de voorstellingen die hij programmeert een raamwerk te verstrekken.

Het gaat hem erom de sfeer van loutere cultuurconsumptie te doorbreken en een context te scheppen waarin voortdurend wordt nagedacht over de plaats die al die opera's, concerten en theatervoorstellingen innemen die hier in het bestek van een paar weken worden uitgevoerd. Onder de oppervlakte schuilt een zekere behoefte tot verantwoording.

Dat heeft zo zijn achtergronden: toen Mortier hier vijf jaar geleden begon, werd hem verweten van de Salzburger Festspiele een avant-garde-festival te maken. Inmiddels zijn de tijden en het programma veranderd - dit jaar betreffen de premières toneel van Raimund (1790-1836) en Shakespeare (1564-1616), opera's van Beethoven (1770-1827) en Carl Maria von Weber (1786-1826). Niettemin mocht de Britse historicus Eric Hobsbawm (van The Age of Extremes) uitleggen hoe de kunst en cultuur zich in de loop van de twintigste eeuw hebben ontwikkeld.

Mortier neemt ontegenzeggelijk de tijd om zijn aartsconservatieve Oostenrijkse publiek door de grote denkers van Europa te laten uitleggen hoe het precies zit met de kunsten, waar de traditie afsterft en fossiliseert, en waar avant-garde nette vernieuwing wordt. In de loop van deze maand komen de Nederlandse festival-filosoof Frans de Ruiter en de Zwitsers-Engelse cultuurpessimist George Steiner de reeks dialogen voortzetten.

Hobsbawm stelde dat het grootste deel van de vernieuwende kunstproductie in de twintigste eeuw niet veel meer is dan een uitwerking van mogelijkheden die reeds aan het eind van de negentiende eeuw beschikbaar kwamen, die van de fotografische weergave van bewegende beelden, die van de geluidsweergave en, ten slotte, die van de overdracht van aldus opgeslagen informatie over grote afstanden. Dat, en de democratisering van de toegang tot de kunsten die tegelijkertijd plaatsvond, heeft het publiek verveelvoudigd.

Maar het ideaal van de Hoge Kunst is dat van de negentiende eeuwse burgerij gebleven. De brandpunten van cultuur bleven musea, concertzalen, opera-huizen. Op die plekken wordt een repertoire getoond, dat, aldus Hobsbawm, 'een kerkhof is waarop we de graven van de doden met de bloemen van de nieuwe ensceneringen voorzien.' Er vond, gaandeweg die eeuw der extremen, een necropolisering van de cultuur plaats.

Behalve in de literatuur - 'maar dat komt door de onmogelijkheid met woorden zoveel onzin te fabrieken als met penselen en met noten' - is in de kunsten vernieuwing voor de makers lange tijd het parool geweest, terwijl het publiek zich op de reeds gevormde canon concentreerde. Inmiddels staat die vernieuwing in een twijfelachtig licht.

Tezelfdertijd is door de recente technologische ontwikkeling het negentiende-eeuwse cultuurbegrip aan het wankelen geraakt. De portretfoto heeft het geschilderde portret, toppunt van de artistieke beleving van de negentiende-eeuwse burgerij, verdrongen, en in de popmuziek is de artiest veeleer het eindproduct van de techniek geworden dan dat hij nog als scheppend of herscheppend kunstenaar functioneert.

De ware culturele revolutie van de twintigste eeuw is, volgens Hobsbawm, daarin gelegen, dat kunst voor het eerst in de geschiedenis altijd en overal is: op de televisie (Hobsbawm woont in Groot-Brittannië en lijkt, ofschoon hij opgroeide in het voor-oorlogse Berlijn, de continentale gewoonten wat minder goed bij te houden), op de autoradio, desnoods op de walkman. In die kunsten kan de consument persoonlijk ingrijpen, hij kan met behulp van eenvoudig te bedienen knopjes tempi en volgorden naar zijn hand zetten: de diachroniciteit van het negentiende-eeuwse kunstbegrip verliest het van de synchroniciteit.

Democratisering en zelfbediening, het was onmiskenbaar even wennen voor de Salzburgers, die ten slotte gewoon zijn een paar honderd gulden neer te tellen voor een kaartje voor een Mozart-opera. Of het de vernieuwing die Mortier voorstaat er eenvoudiger op zal maken laat zich nog niet vaststellen.

Meer over