Column

Mop van de man die naar de Frankfurter Buchmesse ging

Vaak schrijf ik over zaken waarvan ik vermoed dat iedereen ze wel eens meemaakt. Vorige week nog, bijvoorbeeld, toen ik per ongeluk een vaas kocht waarin ze een enorme erectie van glas hadden verwerkt.

Peter Buwalda
De onderhandelingen voor de religieuze werken voltrokken zich in het Esperanto, denk ik. En met een kater. Halverwege moest ik even naar de wc, voor een braakje. Beeld anp
De onderhandelingen voor de religieuze werken voltrokken zich in het Esperanto, denk ik. En met een kater. Halverwege moest ik even naar de wc, voor een braakje.Beeld anp

Maar vandaag behandel ik een probleem waarover ik andere mensen nooit hoor: dat ze ergens heen gaan, naar een kinderverjaardag, naar een begrafenis, naar een internationale boekenbeurs, en ze al serieus op weg zijn, zeg maar in de vervoersmiddelenfase, een vliegtuig, een taxi, een hogesnelheidstrein - maar toch nog uitstappen. Hoewel de heenwaartse progressie er niet om liegt, keer je gewoon weer terug naar je home, where the heart is. Eigenlijk zoals de mop van de man die naar de Frankfurter Buchmesse ging.

Ik ging niet. Feitelijk is het een zwartgallige, vervelende mop, als je hem meemaakt.

Bovengenoemde man zat eergisteren in z'n goeie goed in de ICE naar Frankfurt. We leunden reeds tegen de geluidsbarrière. Niet in de échte Frankfurttrein, geef ik toe, die van het Journaal, die met de top dogs erin, ik noem een Connie, ik noem een Tommy, een Bassie*, een Adriaan. Nee, helaas was voor mij in de Gouden Wagon der Vaderlandse Letteren geen plekje. (Ik stam uit de tijd van Hermann Hesse. Te lang geleden, allemaal.)

Maar, vrienden, we laten ons niet zomaar afschepen. Er zijn andere manieren om op de beurs te geraken. Sinds Bob Dylan kan alles. Als het moet, kopen Bob en ik zelf een treinkaartje.

Vóór ik schrijver was, kwam ik er trouwens ook. Voor Frankfurt geldt: hoe minder boeken, hoe beter. Juist als bijzonder laag gepositioneerde onderknuppel sjokte ik laconiek door de legbatterij, want daaraan doet de Buchmesse denken, als je er bent. Een verdiepingenhoge schuur vol krielkippen (uitgevers, agenten, klaplopers) die elkaar zoveel mogelijk eieren (boeken) aansmeren. Ik was destijds de assistent van de pocketuitgever van ons concern. Deze pocketman had op de Messe niks, maar dan ook echt helemaal níks te zoeken. Niets. Ik assisteerde hem daarbij.

Lange, lange beursdagen, waren het. Een beetje rondlopen, veel handig wegduiken, en 's avonds: afpilsen. 'Wie is verdomme die flapdrol', vloekte op een ochtend de uitgever van Saskia Noort, 'die zich hier telkens veels te laat meldt en dan klaagt dat de koffie op is?'

Het jaar erna was de flapdrol bevorderd tot zaalarts Nederlandse fictie bij Uitgeverij L.J. Veen. Nu had ik gelukkig wél een afspraak, eentje maar, gemaakt door een thuisgebleven collega. Die had de poëzie van Paus Paulus Johannes II 'gebracht'.

Alles kan.

Mijn enige klusje tijdens de Messe was deze heilige poëzie door te verkopen aan een Bulgaarse uitgever van religieuze werken. De onderhandelingen voltrokken zich in het Esperanto, denk ik. En met een kater. Halverwege moest ik even naar de wc, voor een braakje.

Maar goed, de U-Bahn-kogel spoot over het spoor, heading voor internationale roem. Mijn zwarte pak paste uitstekend bij de geluidsnelheid.

'Uw plaatsbewijs, alstublieft.'

'Der sitzt in meine e-mail', zei ik tegen de dame. 'Maar jullie hebben geen wifi, stimmt das?'

Das stimmte. In de reglementen stond dat alleen geprinte tickets geldig waren.

'Ik heb 169 euro betaald.'

'Tickets graag.'

'Zie ik eruit als een oplichter?'

U ziet eruit als een goochelaar, zag je dat wijf denken.

(*Heijne)

Meer over