Mooie tijden voor popmuziek

Paul Weller, ex-The Jam, ex-The Style Council, nam in Amsterdam een plaat vol covers op. Zelf schrijven lukt niet, maar daarover maakt hij zich niet druk....

Door Gijsbert Kamer

en writers block? Dat klinkt zo dramatisch. Laten we het er even op 'Ehouden dat ik weer aardigheid moet krijgen in het schrijven van liedjes.

Ik ken dat gevoel hoor, zeker twee keer eerder heb ik meegemaakt dat liedjesschrijven me verveelde, dat ik het anders wilde aanpakken. Toen raakte ik in paniek, maar kwam er altijd weer uit. Nu ook. Ik voel me er uiterst relaxed onder.'

En relaxed is hij, Paul Weller, zesenveertig jaar geleden geboren in Woking, bij Londen. Hij heeft voor de zoveelste keer dit jaar voor een paar dagen zijn vaste kamer in het Amsterdamse hotel Americain betrokken. Hier komt hij al meer dan een kwart eeuw. Eerst als zanger/gitarist van The Jam: 'De liedjes die ik in The Jam schreef behoren tot het collectieve geheugen van iedere Brit tussen de veertig en vijftig, en zijn mijn oudedagsvoorziening'. Toen, eind jaren tachtig, als voorman van The Style Council: 'Oh, wat werd ik gehaat door de oude mods en punkers die onze jazzfunk verafschuwden, maar ik moest echt iets anders doen, to get away from it all'. En sinds de vroege jaren negentig gewoon als Paul Weller: 'Afgeschreven was ik, geen band, geen platenmaatschappij en geen liedjes. Maar mijn vader zei: kom op Paul, je moet weer de zalen in en gaan spelen. Daar stond ik dan, in Paradiso, eind 1990. Voor een paar honderd man waarvan de helft alleen maar om A Town Called Malice brulde.

'Maar pa had gelijk, hier begon mijn solocarri. Na die optredens kwamen liedjes als Into Tomorrow en Kosmos al snel, en kreeg ik de smaak weer te pakken.'

Vader John Weller, al sinds de prille Jamdagen manager van Paul is er ook nu weer bij in Amsterdam. Hier werkte Paul met zijn band met tussenpozen een jaar aan Studio 150 een plaat met covers, die tot stand kwam in, inderdaad, Studio 150 aan de Lauriergracht.

Weller: 'Ik moest weg uit Londen, dat stond vast. Mijn laatste album Illuminations had weinig gedaan, en ik voelde dat het weer even op was. Hoewel optredens nog moeiteloos uitverkopen, had ik geen idee hoe het muzikaal verder moest. Gewoon met mijn maatjes de studio in en spelen was de optie, maar je hebt in Engeland niet veel studio's meer waar je een paar maanden residentie kunt houden. Dus werd het Amsterdam.'

Een plaat met covers was een wens die Weller al langer had. Gedurende zijn hele loopbaan had hij al een fijne neus voor andermans werk. The Kinks, The Who en Martha Reeves deed hij al met The Jam, en The Style Council deinsde niet terug voor Anita Bakers Angel of de houseanthem Promised Land van Joe Smooth.

'Maar dat waren ook echt favorieten van mij op dat moment. De laatste jaren kwam ik altijd uit bij de classics uit mijn jeugd: The Beatles en de Small Faces. En ik zeg je, daar blijf ik van af. Wat valt daar nog aan te verbeteren? De liedjes die ik wuitkoos, pikte ik toevallig op van de radio. Ze moesten me niet te veel aan het hart gaan.'

Liedjes van Rose Royce koos hij (Wishing On A Star) of The Carpenters (Close To You), een traditional als Black Is The Colour, maar ook All Along The Watchtower die net zo min lijkt op het origineel van Dylan als op de klassieke versie van Jimi Hendrix.

Weller: 'Dat moest een gospel worden, gedragen door de zangeressen Sam Brown en Carleen Anderson, maar je hoort mij niet zeggen dat ik de definitieve versie heb opgenomen.'

Dat was ook niet de bedoeling. Paul Weller wilde gewoon het plezier in samen muziekmaken terugkrijgen, en dat het een leuke plaat heeft opgeleverd, is mooi meegenomen, al interesseert het hem na al die jaren geen zier wat de pers ervan vindt. 'Recensies lees ik niet meer, ik word er alleen maar boos van, ook als ze positief zijn. Afgerekend word ik alleen door mijn fans en die zijn er nu in vier generaties, viel me onlangs nog op in de Royal Albert Hall.'

Maar waren het niet juist zijn fans die hem beletten nieuwe muzikale wegen in te slaan?

'Ja, maar dat is lang geleden. En het had van mijn kant ook iets geforceerds. Jarenlang wilde ik onder geen beding Jam-nummers spelen. Wilde ik verder komen dan moest ik daar afstand van nemen, dacht ik. Praten deed ik niet over The Jam, en later ook niet over The Style Council en het zou ook jaren duren voor ik die liedjes weer ging spelen. Nu heb ik daar geen moeite meer mee, en als ik die gelukzalige blikken zie wanneer het openingsakkoord van That's Entertainment klinkt, dan voel ik trots. De kracht van muziek is zo iets moois, dat is waarvoor ik leef, alleen muziek en muziek.'

En gelukkig zijn het in Wellers ogen weer mooie tijden voor popmuziek. 'Mijn zoon van zestien leert net een beetje gitaarspelen en ik ben blij voor hem dat de laatste tijd weer echte bandjes populair zijn, die zelf hun instrumenten bespelen. Franz Ferdinand, The Libertines en de Ordinary Boys maken het weer leuk om naar bandjes te gaan, daar moedig ik mijn kinderen ook toe aan.'

Mist hij niet het sociale commentaar in de hedendaagse popmuziek, zoals dat in zijn hoogtijdagen zo welig tierde?

'Eigenlijk niet. Muziek kan, daar ben ik echt van overtuigd, zelf niks veranderen. Met liedjes kun je communiceren en de harten van mensen raken en hopen dat je iets in hen verandert. Het revolutionaire in muziek zit erin dat het onze levens kan veranderen, wanneer we erg door iets aangegrepen worden. En wanneer onze harten geraakt zijn, dan kunnen we misschien de rest om ons heen ook veranderen. En de harten bereik je niet met een stukje tekst, volgens mij, maar met muziek.'

Spijt heeft Weller dan ook dat hij al sinds het midden van de jaren tachtig als een spreekbuis voor Labour wordt beschouwd. 'Ik heb me echt voor hun karretje laten spannen, ze gebruikten me om de jeugd voor zich te winnen. Tony Blair wilde mijn The Changingman als herkenningstune gebruiken. Nou, mooi niet. Fuck him!'

Paul Wellers liedjes zijn steeds persoonlijker geworden, maar ook daarin is hij nu even vastgelopen. 'Echt, ik weet niet wat en waarover ik moet schrijven.'

Hij bestelt nog een biertje. 'Concentratie. Misschien is dat wel wat er aan ontbreekt. Ik vind het heerlijk om weer te gaan spelen, ik kan van muziek nog altijd geen genoeg krijgen, maar het zelf scheppen van iets, dat zit er even niet in. So what mate. Voordat ik mijn eerste soloplaat maakte, schreef ik twee jaar geen letter, en toen kwam ineens alles tegelijk. Gewoon zitten en wachten dus, dan komt het wel weer goed. Cheers pal.'

Meer over