'Mooie Barend': prikkelbare regent met charisma

De grootste taxatiefout die de zondag overleden oud-premier Barend Biesheuvel maakte, was te denken dat de achterban van zijn partij, de ARP, nog steeds volgzaam was....

Jan Joost Lindner

WIE Biesheuvel zag, zag leiderschap en onverzettelijkheid. Hij was, in de trant van de Statenbijbel, 'van de schouderen opwaarts hoger dan al het volk'. Toch mislukte hij als leider van Nederland drastisch door zijn te geringe plooibaarheid. Waarna hij - al in 1973 - teleurgesteld de politiek verliet. Mr. Barend Biesheuvel (81) minister van Landbouw en vice-premier van 1963 tot 1967, minister-president in 1971 en 1972, overleed zondag in een ziekenhuis in Haarlem.

'Biesheuvel was een noeste werker, oogde sterk, maar voelde zich snel gekrenkt', aldus de parlementair-historicus P. F. Maas. De AR-leider had veel van grote voorgangers als Kuyper ('de geweldige'), Colijn en Schouten. Stoer en geliefd, maar zonder daar show en fratsen voor te verzinnen. Bepaald prikkelbaar als het om tegenspraak ging en zelfs ge- en vervaarlijk in het uitzonderlijke geval van tegenwerking.

Maar in de jaren zestig en begin jaren zeventig begon zelfs de gereformeerde zuil te wankelen. En Nederland zat niet te wachten op een anti-revolutionaire patriarch. Als politicus was Biesheuvel een beetje een anachronisme. Maar hij kreeg allerwege bewondering in een tijd van weinig stevige leiders en van binnenpartijdige gevechten na het verdwijnen van de generatie Drees, Romme, Oud en Schouten.

Deze politicus was met zijn bijna twee meter en zijn krachtige kaakpartij ('Mooie Barend') geliefd bij vooral huisvrouwen, al sprak Piet Grijs nijdig van 'dat goedkope operettesmoel'. Biesheuvel was als coalitiepoliticus pragmatisch, handig en intelligent. Met iets meer Schmelzer- of Lubbersachtige souplesse had de AR-leider een langdurige hoofdrol kunnen spelen.

Barend Willem Biesheuvel, geboren op 5 april 1920 in Haarlemmerliede, groeide op in zijn vaders hereboerderij bij de Haarlemmermeer, niet ver van de Colijns. Na zijn studie rechten maakte hij een snelle carrière in de christelijke boerenbond, wat in 1959 tot het voorzitterschap leidde. Hij zat toen al drie jaar in de Kamer en was ambitieus. In 1963 kwam de doorbraak: gedeeld lijsttrekkerschap (met Smallenbroek en Roolvink), minister van Landbouw in het kabinet-Marijnen en een (door hemzelf geritseld) vice-premierschap.

In 1967 besliste Biesheuvel de strijd om het partijleiderschap met een korte, heftige campagne in zijn voordeel. Onder zijn eenhoofdige (en onbedreigde) leiding won de AR voor het eerst na de oorlog weer eens wat: twee zetels. Een campagne waar jonge VU-intellectuelen enthousiast aan hadden meegewerkt, onder het goedkeurend oog van de evenzeer naar links neigende partijvoorzitter Berghuis. De AR leek zelfverzekerd en progressief, terwijl de KVP na de 'Nacht van Schmelzer' in de problemen was geraakt. Biesheuvel fungeerde in die situatie als voor de hand liggend premier, ook voor de KVP-top.

Maar de jonge, linkse AR-mensen waren diep teleurgesteld door het nogal klakkeloos uit de formatie gooien van de PvdA. Dit door toedoen van twee partijgenoten (Zijlstra was informateur), die daarmee de Nacht van Schmelzer - waarin de AR aan de zijde van het kabinet-Cals was blijven staan - alsnog legitimeerden.

Biesheuvel was nog maar kort formateur van een kabinet met de VVD toen negen AR-progressieven als 'spijtstemmers' hun openlijke tegenstand uitbazuinden. De AR-leider reageerde weinig begripvol. Het zou tussen hem en de sterke, roerige linkervleugel nooit meer goed komen. Ook zijn duidelijke keus voor zo veel en zo snel mogelijk samengaan met KVP en CHU bleef een twistpunt met de progressieve jongeren.

De AR-leider verpatste zijn eerste reële kans op het premierschap door wel erg hoge eisen te stellen aan de ministerskandidaten en te lang treuzelen. Hij wilde 'een topeconoom en een topfinancier' naast zich en nog een extra AR-minister en Jan, Piet en Klaas (van andere partijen) waren eigenlijk te licht.

Dit alles terwijl de linkervleugels van KVP en AR de tegenstand tegen een centrum-rechts kabinet opbouwden en de KVP steeds meer twijfel kreeg bij het afstaan van het premierschap. Piet de Jong mocht ten slotte het kabinet maken, mét door Biesheuvel gewraakte ministers.

De AR-leider was in de Kamer gevaarlijk voor dit kabinet ('schoten voor de boeg'), temeer daar hij de AR-linkervleugel enigszins wilde paaien. Maar hij moest ook de verdenking van rancune tegengaan. En tegelijk wilde hij de samenwerking met KVP en CHU niet frustreren door politieke avonturen.

Integendeel: met Schmelzer en CH-leider Mellema verscheen hij in 1968 op de tv om het 'samen uit, samen thuis' van de christen-democratie af te kondigen. En wel zo pompeus dat een aantal radicalen van KVP en AR, onder leiding van Jacques Aarden, uitstapte en de PPR begon.

KVP, AR en CHU gingen samen door en namen tegelijkertijd politieke afstand van het kabinet-De Jong (geen inzet van de verkiezingen, geen lijsttrekkerschap voor de populair geworden premier). In oktober 1970, tijdens een Londense reis, werden al half grappend met VVD-leider Geertsema de rollen voor het kabinet-Biesheuvel verdeeld.

Dat kabinet had echter het nieuwe en amateuristische DS'70 nodig voor een meerderheid (links blokkeerde en polariseerde). In de formatie was Biesheuvel, geholpen door informateur Steenkamp, evenzeer veeleisend en perfectionistisch als in 1967. Hij wilde zich 'tegen alle denkbare eventualiteiten verzekeren en herverzekeren', aldus Maas.

Een bijzonder gedetailleerd regeerakkoord hielp echter even weinig als de algemene bewondering voor het verzameld leiderschap in dit kabinet. Sterke mannen, sterke ruziemakers, de premier voorop. Diens in Brussel aangeleerde neiging tot eindeloos doorvergaderen (Barends Nachtclub) en diens geringe geduld met de erudiete schoolmeesterijen van Drees jr. droegen niet bij aan de goede sfeer.

Een kabinet met alle christen-democratische spanningen ingebouwd (Boersma - Nelissen), plus het VVD-conservatisme en de DS'70-neigingen om ruw in lonen en prijzen in te grijpen, dat alles was voor een kortaangebonden man als Biesheuvel te veel. Zijn onbehagen leidde, bijna van nature, tot meer krachtig dan tactvol ingrijpen en tot kostbare politiek-strategische fouten. Oud KVP-leider Romme zou zijn gebrek aan zelfdiscipline bekritiseren.

Al na een jaar viel het kabinet-Biesheuvel, een politiek domme crisis in de sfeer van: 'DS'70 moet een lesje krijgen'. Ook Biesheuvel deed volop mee aan het kinderachtige spel om onredelijk hoge bezuinigingen op het bord van de DS'70-ministers te laden en deze ministers in de procedures zeer kort te houden. In latere discussies is Biesheuvels rol gelaakt als te weinig boven-partijdig.

De confessionele en liberale politici hadden ook weinig oog voor het gulle geschenk dat polarisend links met deze breuk kreeg. Vermoedelijk waren zij te optimistisch over een nieuw centrum-rechts kabinet, zonder DS'70.

Toch hebben Biesheuvel en de jonge VVD-leider Wiegel vrij snel begrepen dat het eigenlijk misging, ook wat betreft de KVP-standvastigheid inzake regeren met rechts. Vandaar diverse lijmpogingen in de warrige zomer van 1972. 'Maar alle lijm zat al tussen de zetel en de broek van de heer Biesheuvel', zei CPN-leider Marcus Bakker.

Het lijmen mislukte, mede door de linkervleugels van KVP en AR (fractieleider Aantjes). Biesheuvel mocht nog een tussenkabinetje voorzitten en tegelijk een persoonlijke en rechtse campagne voeren, die door de AR met groeiend wantrouwen werd bezien.

De uitbarsting kwam aan het begin van de formatie, toen de fractie Biesheuvels voorkeur voor een derde kabinet-Biesheuvel met Wiegel (en wellicht DS'70) afwees met acht tegen zes stemmen. Het werd de meeste aanwezigen duidelijk dat Biesheuvel alles of niets speelde en dat het slagen van een kabinet-Den Uyl in enigerlei vorm vrijwel zeker Biesheuvels vertrek uit de politiek zou betekenen.

Dat is ook gebeurd, maar na talrijke verbitterde gevechten. Waarop Biesheuvel na 7 maart 1973 steeds minder greep had, toen hij het AR-fractieleiderschap moest opgeven voor het demissionair premierschap. Bij de beëdiging van het kabinet-Den Uyl wijdde een voorgoed vertrekkende Biesheuvel bittere woorden aan Aantjes, Boersma en de fractie.

Volgens ingewijden had hij tien jaar later nog veel wrok over zijn laatste jaar in de politiek. Voorzover hij besef had van zijn eigen verkeerde inschatting rond de crisis in 1972, heeft hij dat nooit aan derden laten weten.

Wellicht was zijn onderschatting van de nieuwe progressieve AR-teneur en de groeiende kracht van de vroeger zo volgzame Aantjes zijn grootste taxatiefout. De gezagsgetrouwe AR was er niet meer - althans niet in Den Haag en wijde omstreken - en de zuilen lagen om. Biesheuvel was verzwolgen in een beweging van zestig die hijzelf nooit echt heeft begrepen en aangevoeld.

Hij maakte soms wel pragmatisch gebruik van zulke ideeën en stromingen, ook in eigen partij. Zijn rapport over openbaarheid, die later tot de Wet Openbaarheid van Bestuur (WOB) leidde, werd geprezen: 'Open Barend'. Maar zelf was hij allerminst open. Na Romme was hij de eerste en de laatste met de bijnaam 'de sfinx'.

Later maakte Barend Biesheuvel ineens weer naam met krachtige pleidooien voor bestuurlijke vernieuwing, onder meer het wetgevingsreferendum. In 1986 werd dit advies van de staatscommissie-Biesheuvel meteen door bijna alle partijen geweigerd. De ex-leider kon nog eenmaal donderen, vooral richting christen-democraten. De vraag was in welke mate het om zijn vernieuwingsdrang of zijn gekrenktheid ging. In zijn actieve tijd was Biesheuvel nooit zo'n vernieuwer, bestuurlijk of anderszins. Hij was niet zozeer een man voor theorieën of ideeën.

Biesheuvel was meer practicus, stevig beslisser en gezagsdrager. In het bedrijfsleven en als adviseur van de overheid speelde hij talloze rollen na 1973, ook in verband met de scheepsbouw en zijn geliefde Antillen.

Hij had veel baantjes en commissariaten, meestal van prestigieuze bedrijven, maar ook van de weinig fortuinlijke OGEM. Biesheuvel bemoeide zich alleen achter de schermen, en dan nog schaars, met de nationale politiek. Wel werd hij veel gevraagd voor adviescommissies en andere goede diensten aan ministeries, met name Verkeer en Waterstaat.

De historicus Maas: 'Een geboren leidersnatuur, die medewerkers in goede harmonie wist te inspireren tot meer dan gewone prestaties.' Barend Biesheuvel had charisma. Hij sprak en keek dwingend. Het was een man die men liever plezierde dan dat men ruzie met hem riskeerde. Hij kon heel medemenselijk en charmant zijn, maar dat moest wel verdiend worden.

Een regent, ook in de goede zin van het woord, met veelzijdige verdiensten voor het land en voor het gereformeerde volksdeel. Hij bereikte - dankzij grote talenten - nog wonderbaarlijk veel in een tijd toen het met regenten niet goed meer ging.

Meer over