Mooi road

Waarom we de laatste jaren steeds wellustiger achterlichten zien.

CHRIS BUUR

Ze hebben de wellust van een striptease, de campagnes waarmee autofabrikanten nieuwe modellen introduceren. Wekenlang worden filmpjes en/of foto's gepost van onderdelen van het ontwerp, half uitgelicht in het schemerdonker, een geil stuk spatbord, een hitsig grillfragment. Renault deed het net met de nieuwe Clio

1

, vanaf oktober te koop) en Mazda met zijn nieuwe 6

2 o

ok eind dit jaar) - en beide probeerden, opvallend genoeg, de reikhalzende koper tot oververhitte hoogten te jagen met hetzelfde detail: een blik op het achterlicht.

Het achterlicht is de laatste jaren uitgegroeid tot de erogeenste zone van het auto-ontwerp. Dat was vroeger wel anders. Neem universeel erkend lekkere wijven (m/v) als d

e 3

Citroën DS (1955) of de

4

Jaguar E-type (1966): hoe gloedvol het ontwerp ook, de achterlichten zijn opmerkelijk onooglijke frummeldingetjes die een tikje scheefhangend in het totaalplaatje zijn weggemoffeld. Achterlichten waren tot diep in de jaren zeventig bovenal industrieel ogende units die op hun best elegant in het design waren verwerkt, maar zelfstandig nooit veel voorstelden. Chromen biesje eromheen, klaar.

Toen het vervolgens computertechnisch steeds makkelijker werd de verschillende auto-onderdelen vloeiend in elkaar te laten overlopen, lieten de ontwerpers de de achterlichten glad en naadloos in de totaalvorm van de auto verzinken. Alsof het niet meer twee losse glazen stukken waren, maar twee lichtgevende rode vlekken die op de auto-achterkant stonden getekend.

Vaak waren ze, zoals bij de

5

Ford Mondeo van 1996, zelfs niet meer dan een restvorm tussen de lijnen van het spatbord en de achterklep, om extra te benadrukken dat de vooruitgang van de ontwerptechniek ervoor had gezorgd dat ontwerpers niet meer gebonden waren aan zoiets ouderwets als los in elkaar te schroeven onderdelen. Auto's oogden als uit één stuk. Auto-ontwerp is tenslotte het soort design dat graag pronkt met technische geavanceerdheid.

Maar opgetekende lichten worden natuurlijk op een gegeven moment saai.

Het tweedimensionale wordt te beperkend, ook omdat de achterlichten nog aan allerlei andere wetmatigheden onderhevig zijn. Maak je ze anders dan overwegend rood, bijvoorbeeld, dan staat dat proleterig of ronduit gek. En ze zijn onderhevig aan de Wet van het Oog: wanneer een mens twee gelijkvormige, symmetrisch en relatief dicht bij elkaar opgestelde cirkels (of ovalen, vierkanten, rechthoeken of lichte variaties daarop) ziet, dan denkt hij onmiddellijk: ah, ogen.

En omdat mensen afwijkende oogopstellingen (te ver uit elkaar, bijvoorbeeld) of -vormen (zwabberig en onregelmatig, bijvoorbeeld) automatisch lelijk vinden, legt dat het ontwerp enorme beperkingen op. Gij zult geen lelijke ogen ontwerpen. De enige uitwijkmogelijkhieden zijn de lichten zo ver uiteen te plaatsen en zo verticaal langwerpig te maken dat de ogenassociatie verdwijnt

(6

, Volvo stations), of ze aaneen te smelten tot een soort zonnebril (

7

, Saab 9-5).

Maar toen kwamen de led-lampen. Behalve dat die energiezuinig zijn, bieden die de mogelijkheid flink tekeer te gaan met een bom kleine glittertjes. Audi

8

viel als eerst op met nadrukkelijke strookjes kerstverlichting in voor én achterlichten, en iedereen volgde, met steeds vindingrijker patronen, van de kubistische excercities van de huidige Volkswagens

9

tot de scheidsrechtersfluitjes van de Alfa Romeo Giulietta

10

. Het achterlicht werd ineens weer de allerindividueelste expressie van de allerindividueelste emotie, ontwerpgezien.

Tel daarbij op dat de verlichtingstechniek inmiddels toestond dat het glas om de lampen heen niet meer diffuus hoefde te zijn, zoals vroeger, om te voorkomen dat tegen- of achterliggers verblind raakten.

Helder, glimmend glas deed zijn intrede, met hoogglansmetalen sculpturen aan de binnenkant, fonkelend als een complete juwelier. Het achterlicht werd pronkmogelijkheid. En auto-ontwerpers grepen die kans, want naast technische geavanceerdheid is 'dit is lekker duur' de andere belangrijke associatie die een auto-ontwerp wil oproepen.

Daarmee beginnen de achterlichten zich ook weer meer uit het totaalontwerp naar buiten te trekken - steeds vaker zijn ze niet meer verzonken in de achterkant, maar zelfverzekerde, zelfstandige vormen, sculpturaal en steeds vaker driedimensinaal. Een edelsteen wil je tenslotte ook van meerdere kanten laten zien.

De nieuwe Clio heeft goed boos ogende kijkers met overhangende oogleden in petto, de nieuwe Mazda 6 doet heel expressief met haardunne ledstrookjes en een ingestoken chroomstrip. Kijken we naar drie nieuwe moordende concurrenten die elkaar eind dit jaar de tent proberen uit te vechten, de Audi A3

11

, de BMW 1-serie

12

en de Mercedes A- klasse

13

, dan kunnen we op grond van de achterlichten voorspellen wie er met nipt verlies eindigt.

De BMW heeft zelfverzekerde, eigenstandige vierkanten. De Audi gebeeldhouwde lampen die aan de onderkant gedeeltelijk vrijstaand zijn. De Mercedes, hoe mooi verder ook, twee waterig opgetekende vlekken. Ze ogen nu al een beetje ouderwets. En het is toch het gedeelte van een auto waar je het meest en langdurigst tegenaan kijkt, op de weg.

undefined

Meer over