Monumenten van de zware industrie

Een woestijn van gruis en gif, van grauwe fabrieken die voor de eeuwigheid zijn gebouwd, van pijplijnen en immense rangeerterreinen....

Vanaf het dak van de 117 meter hoge Gasometer in Oberhausen is het beste waar te nemen hoe de industrie bezit heeft genomen van het Ruhrgebied. Hoe zij zich heeft uitgezaaid tot aan de achtertuin van de huizen en de oevers van rivieren, hoe ze bossen en weilanden heeft overwoekerd en gereduceerd tot armzalige groenstroken.

Tot de horizon reiken de piramiden van cokes en kolen, pijplijnen met een doorsnee van meters, die als roestige, onbegaanbare bruggen boven het landschap hangen, immense rangeerterreinen, hallen en ondefinieerbare installaties. Sommige zijn bruin-roestig en dof, andere blikkeren in het zonlicht. Tussen de complexen meanderen zesbaans autowegen. Het verkeer is op het dak van de Gasometer, de hoogste gashouder van Europa, te horen als een voortdurende zoemtoon.

Het lijkt erop dat de mensheid met succes heeft geprobeerd het landschap in anderhalve eeuw net zo ingrijpend te veranderen als een ijstijd in duizenden jaren doet. Het land is omgeploegd en opgehoogd, elders verzakt door de mijnbouw. Het lijkt definitief verloren, een woestijn van gruis en gif, van grauwe fabrieken die voor de eeuwigheid zijn gebouwd en die - al zijn ze buiten gebruik gesteld - tot in het oneindige als lompe kolossen over het stroomgebied van de Ruhr en Emscher zullen staren.

Het gebied van Ruhr en Emscher anno 1995 is niet meer het Ruhrgebied van de ongebreidelde groei, onbeperkte produktie en rücksichtslose vervuiling van rivieren, lucht en bodem. Het is niet langer het kloppend hart van het Wirtschaftswunder. De meeste mijnen zijn gesloten, veel hoogovens gedoofd, machines is het zwijgen opgelegd. Rangeerterreinen, waar nog kort geleden lange rijen treinwagons naar silo's werden gedirigeerd om met kolen te worden volgestort, zijn overwoekerd door onkruid. De rails verroest. De ruiten van seinhuisjes aan diggelen geslagen.

Onwillekeurig krijg je medelijden met de bevolking van Duisburg, Essen, Oberhausen, Gelsenkirchen en de andere steden bij de Ruhr, die omsingeld zijn door dit industrieel geweld. Voorheen plukte zij in ieder geval nog de vruchten van de economische groei, maar als gevolg van de langdurige staalcrisis en de sluiting van oude complexen van Thyssen en Krupp zijn de bewoners nu extra getroffen door de werkloosheid.

Het is om moedeloos van te worden, je dagen te moeten slijten in die omgeving van gestolde bedrijvigheid. Maar niet iedereen denkt er zo over. Want overal in het Ruhrgebied worden initiatieven ontwikkeld om het landschap van zijn grauwsluier te ontdoen en een nieuwe bestemming te vinden voor verlaten en verwaarloosde complexen. Gekanaliseerde beekjes krijgen hun natuurlijke kronkelloop terug, de woonkazernes en arbeiderswoningen worden van hun roetaanslag ontdaan en in frisse kleuren geschilderd. De bevolking lijkt zich te verzoenen met de onuitwisbare industriële erfenis en er zelfs waardering voor te kunnen opbrengen; fabrieken verwerven nieuw respect en worden tot monument verklaard. Ze krijgen nieuwe, vaak even wezensvreemde als originele bestemmingen.

De regering van de deelstaat Noordrijn-Westfalen heeft in 1989 een speciale afdeling opgericht van de Internationale Bauaustellung (IBA) voor de regio van Ruhr en Emscher. Deze organisatie, optimistisch IBA Emscherpark genoemd, heeft tot taak de complexen toegankelijk te maken die voorheen alleen door de staalarbeiders en kompels betreden mochten worden. Bovendien wordt de IBA geacht het pokdalige landschap door de aanleg van bossen en parken een zweem van zijn oorspronkelijke, lang vervlogen schoonheid terug te geven. De IBA ondersteunt particuliere initiatieven met advies, maar heeft ook zelf een budget om projecten uit te voeren.

De Gasometer in Oberhausen is een van de industriële erfenissen waarover IBA Emscherpark zich heeft ontfermd. De gashouder werd in 1928 gebouwd, raakte bij een bombardement tijdens de Tweede Wereldoorlog in 1943 beschadigd en brandde af - wrange ironie - bij de restauratie die na de oorlog volgde. Hij werd hersteld, en in 1984 definitief buiten gebruik gesteld.

Bij het betreden van de gashouder gaat ieder gevoel voor maat verloren. Het bouwwerk heeft de vorm van een beschuitbus en een doorsnee van 67 meter. Als je op de grote staalplaat springt in het middelpunt van de loodzware, verticaal beweegbare vloer (die het gas onder druk moest houden), klinkt het geluid van een ontploffing, dat traag en langdurig ricocheert tegen de wanden, die tot in de hemel reiken.

Een lift met panorama-uitzicht aan de binnenwand van de Gasometer brengt de bezoeker naar het dak. De gashouder wordt tegenwoordig gebruikt als tentoonstellingsruimte, althans: de benedenvloer en de beweegbare vloer enkele meters hoger.

Ook het Landschaftspark Duisburg-Nord beschikt over een gashouder, of liever gezegd: over de twintig meter hoge fundamenten ervan. Het tweehonderd hectare metende park, tot 1985 een staalindustriecomplex, mag zich rekenen tot de Spitzenklasse van het overvloedige industrieëe erfgoed. In de met water gevulde fundamenten van de gashouder heeft een duikvereniging haar onderkomen gevonden. Voordat de aspirant-kikvorslieden afdalen in de diepten van meren en zeeën kunnen zij zich de duiktechnieken eigen maken in deze ijzeren long, die de Thyssen-hoogovens van brandstof voorzag.

Op de angstwekkend hoge betonzuilen, waarop tien jaar geleden nog de treinrails lagen naar de ovens, heeft nu een alpinistenvereniging voor de training een Kletterwand gevonden, die zich in moeilijkheidsgraad kan meten met stukjes Mont Blanc. Alleen het uitzicht blijft achter, want de betiteling 'park' slaagt er niet in de rauwe werkelijkheid te versluieren. Op de sintelvlaktes zijn iele en kwetsbaar ogende boompjes geplant, en een ingenieus afwateringssysteem dat de duikvereniging van vers water voorziet, toont aan dat pogingen worden ondernomen het complex ecologisch verantwoord te beheren. Maar het meest springen toch de restanten van de vijftig meter hoge ovens in het oog.

Een van de hoogovens is toegankelijk gemaakt voor het publiek. Trappen doorkruisen de pijlers waarop het gevaarte rust en omzwachtelen de oven, waarin de as van cokes nog zichtbaar is. Hier kweekt de bezoeker blind ontzag voor de techniek. Hendels en draaiwielen zijn binnen handbereik, maar je laat het wel uit je hoofd eraan te zitten. Stel dat die helse machinerie tòch weer begint te denderen.

Het platform bovenop de oven biedt uitzicht over het voormalige Thyssencomplex. In het westen een rangeerterrein ter grootte van twintig voetbalvelden. In het zuiden de elektromechanische werkplaats van tweehonderd bij vijftig meter, die voor sloop is behoed. Er is vijf miljoen mark nodig om het dak en de muren te renoveren, en nog eens een veelvoud om het interieur echt bruikbaar te maken. In het oosten liggen de monumentale fabrieksgebouwen, waarin een restaurant en een theater zijn gevestigd en waar in de weekeinden duizenden feestgangers hun raves vieren op technohouse temidden van de machine-restanten.

In het hart van een hal op het terrein van Zeche Zollverein XII in Essen repeteert een operazanger een aria onder begeleiding van een piano. Hier, in een zaal die is ingebouwd in de hal, storen de musici niemand en worden zij niet gestoord. In de aula naast de repetitieruimte horen we de muziek, maar de deur die de twee ruimtes scheidt, blijft op slot.

De aula heeft, met de hoge glazen zijwand, nog het meeste weg van een aquarium. Het is alsof de afgedankte, met kolengruis bedekte machines naast de aula in de gelegenheid worden gesteld zich te vergapen aan het keurig geklede publiek, dat er voor culturele manifestaties en concerten komt - weer eens wat anders dan de beroete mijnwerkershoofden die de machines hebben moeten dulden sinds Schacht XII in 1932 werd ontsloten.

Zeche Zollverein XII geldt als een prototype voor de rationalisering die begin deze eeuw in de mijnbouw haar intrede deed. De automatisering nam een hoge vlucht en voor de bovengrondse verwerking van de delfstof werd een complex van zes fabriekshallen neergezet, waar dagelijks twaalfduizend ton delfstof tot zuivere kolen werd verwerkt en afgevoerd. De Reichsbahn, de spoorwegmaatschappij, was de belangrijkste afnemer. Met die produktie was Zollverein veruit het grootste mijnbedrijf in zijn soort; gemiddeld werd toentertijd bij één mijnschacht een dagproduktie van 29 honderd ton gehaald.

In de architectuur van de hallen komt die grootschalige produktie tot uitdrukking. Ook voor hedendaagse ogen zijn de verhoudingen hier immenser-dan-immens: strenge, hoekige gevels, een lange straat ertussen die eindigt bij het symmetrische, zeker twintig meter hoge turbinehuis, waarop, als bekroning van het geheel, een enorme schoorsteen al sinds zijn oprichting staat te wankelen tegen de wolkenhemel.

'We moeten erkennen dat de industrie met haar enorme gebouwen niet langer een storend onderdeel is in ons stadsbeeld en in het landschap', verantwoordde Fritz Schupp, een van architecten van Zeche Zollverein XII, zijn ontwerp in 1929, 'maar een symbool van de arbeid, een monument van de stad, dat iedere burger met minstens even grote trots aan de buitenwereld zou moeten tonen als een openbaar gebouw.'

Zeche Zollverein XII is kort na de buitengebruikstelling in 1986 aangekocht door de deelstaat en tot monument verklaard. De gevels worden in hun oorspronkelijke staat teruggebracht en machines, transportbanden en rails voor de kolenwagons blijven op hun oorspronkelijke plaats. Het designcentrum van de deelstaat is in de voormalige centrale werkplaats gevestigd, en in het inwendige van de hallen zijn nieuwe kantoren en ateliers opgetrokken.

In een ander gebouw, naast een compressor van enkele meters doorsnee die de mijnwerkers in de diepte van zuurstof voorzag, wordt een café ingericht - straks voor menigeen vast en zeker een plek voor zelfonderzoek: is die drank voor mij net zo belangrijk als de compressor destijds voor de duizenden mijnwerkers in het onderaardse?

Op het terrein van Zeche Zollverein is, ondanks de vestiging van de kleinschalige bedrijfjes en het designcentrum, nauwelijks sprake van bedrijvigheid. De expositie die in de voormalige centrale werkplaats wordt gehouden, mag zich niet in een overweldigende belangstelling verheugen; de hal is leeg, op de kunstwerken en het personeel na. Het zegt waarschijnlijk meer over de aantrekkingskracht van de tentoongestelde kunst dan over de attractieve waarde van het mijncomplex.

In Gelsenkirchen probeert de IBA Emscherpark te bewijzen dat ook het grote publiek de industriële erfenis in het Ruhr-Emschergebied naar waarde weet te schatten. Op een mijnterrein wordt daar in 1997 de Bundesgartenschau gehouden, de Duitse variant van de Nederlandse Floriade, die honderdduizenden bezoekers moet trekken. Een deel van de gebouwen in Gelsenkirchen wordt gesloopt - ze worden niet van dusdanige waarde geacht dat ze voor het nageslacht moeten worden behouden, slechts de meest opvallende ontspringen de sloopbal.

De wasruimte voor de mijnwerkers is een van de gebouwen die blijven staan. Aan de plafonds hangen nog honderden katrollen met touwen waaraan de arbeiders, voordat ze afdaalden in de mijn, hun kleren hingen en vervolgens als vlaggen hesen. Op de grond liggen bergen werkhandschoenen, stukjes zeep, vuile kledingstukken. En tussen al de smoezelige gemetselde tegeltjes heeft één zielig stukje onkruid wortel weten te schieten.

Buiten denderen vrachtwagens over het nog modderige terrein om vuile grond af te voeren of schone aarde aan te leveren. Midden op de vlakte wordt een heuvel aangelegd. Het wordt een uitzichtspunt voor de bezoekers van de BUGA 97, met de piramidevorm van een berg kolen - een verwijzing naar het recente verleden.

Het lijkt bizar, een tuinexpositie te organiseren op een plek die symbolisch is voor de verwoesting van de natuur in het Ruhr-Emschergebied. Tegelijkertijd heeft het iets roerends, dat juist rondom restanten van de zware industrie de Duitsers ideeën gaan opdoen om met hernieuwd enthousiasme hun tuinen te verfraaien tot privé-paradijsjes.

Niet minder bizar lijkt de foto uit een folder van het Landschaftspark Duisburg-Nord. Twee ouders met kinderen achterop fietsen op een weggetje in de schaduw van de gedoofde Thyssen-Hoogovens en genieten van het landelijk schoon. Het lijkt een dubieus genoegen. Maar de ouders kijken opgeruimd om zich heen en de kinderen kwetteren er zo te zien met z'n tweetjes vrolijk op los. Ze rijden van de hoogovens vandaan, hebben de staalfabriek de rug toegekeerd. Dat verklaart die uitgelatenheid misschien.

Meer over