Mogelijkheden voor luchtaanvallen VN zijn beperkt

MET de recente ontwikkelingen in Bosnië wordt de roep om een andere VN-strategie steeds sterker. Veelvuldig wordt voorgesteld de VN-troepen terug te trekken, daarnaast worden er ook andere ideeën geopperd, onder meer door P....

Volgens Makken en Davids zouden de VN vergeldingsacties vanuit de lucht kunnen uitvoeren indien een van de strijdende partijen 'de door de VN opgelegde regels van het oorlogsrecht overtreedt.' Deze argumentatie is juridisch gezien onjuist. Ten eerste zijn het niet de VN die regels van humanitair oorlogsrecht opleggen, en ten tweede staan de VN zelf niet boven deze regels.

Het humanitaire oorlogsrecht (ook wel genoemd het internationaal humanitair recht) is een onderdeel van het volkenrecht dat geldt in gewapende conflicten, het jus in bello. Dit jus in bello kan geplaatst worden tegenover het recht op oorlog, het jus ad bellum.

Sinds het VN-Handvest van 1945 is het recht op oorlog zeer beperkt: gebruik van geweld of de dreiging van geweld door lidstaten is onrechtmatig. Slechts in twee gevallen is het gebruik van geweld toegestaan: ter zelfverdediging of indien de Veiligheidsraad besluit tot een gewapend optreden omdat de internationale vrede en veiligheid in het geding is.

Het humanitaire oorlogsrecht gaat daarentegen uit van het bestaan van een conflictsituatie en omvat twee gebieden. Het eerste gebied heeft betrekking op de gevechten zelf, de relatie tussen partijen, de methode van oorlogvoering en de keuze van wapens. Het tweede gebied, het recht van Genève, heeft betrekking op de bescherming van de slachtoffers van een conflict. De vier Verdragen van Genève van 1949 en de aanvullende Protocollen van 1977 zijn de belangrijkste pijlers van het humanitaire oorlogsrecht. De Verdragen van Genève zijn ondertekend door 185 staten.

De regels van het oorlogsrecht worden dus niet opgelegd door de VN maar zijn door staten zelf aangegaan. Bosnië-Herzegowina heeft op 31 december 1992 verklaard zich te houden aan de Verdragen en Protocollen.

Toen staten overgingen tot het opstellen van de Verdragen van Genève werd bepaald dat deze alleen van toepassing zouden zijn op internationale conflicten. Wel zijn in een gemeenschappelijk artikel 3 van de Verdragen voor een niet-internationaal conflict minimumvoorwaarden opgenomen voor de behandeling van personen die niet aan de vijandelijkheden deelnemen. Tevens is bepaald dat partijen een aanvullende overeenkomst kunnen sluiten waarin het geheel of delen van de Verdragen op het intern conflict van toepassing worden verklaard.

Mede gezien het feit dat in het begin verschil van mening bestond omtrent de aard van het conflict - intern of internationaal - is op initiatief van het Internationale Comité van het Rode Kruis te Genève op 22 mei 1992 een dergelijke overeenkomst tussen de strijdende partijen in Bosnië tot stand gekomen. Hoewel de overeenkomst op grote schaal is geschonden, is het bestaan ervan nooit ter discussie gesteld.

Ook voor het conflict is Bosnië zijn het dus de strijdende partijen zelf die de verplichting op zich hebben genomen het humanitaire oorlogsrecht toe te passen. De VN spelen wel een rol in het afdwingen van deze regels. De verdragspartijen dienen de Verdragen onder alle omstandigheden te eerbiedigen en te 'doen eerbiedigen'. Deze bepaling geeft de mogelijkheid om, eventueel via de VN, druk uit te oefenen op de strijdende partijen.

De VN zijn natuurlijk gebonden aan het door de Veiligheidsraad gegeven mandaat. Daarnaast kunnen ook de regels van het humanitaire oorlogsrecht beperkingen stellen.

Hoe en in welke mate de VN gebonden zijn aan de regels van het internationaal humanitair recht staat nog ter discussie. De VN zijn namelijk formeel geen partij bij de Verdragen van Genève en kunnen dit ook niet worden - de Verdragen kunnen alleen ondertekend worden door staten. Wel hebben de VN diverse malen verklaard dat de VN zullen handelen volgens de beginselen en in de geest van de Verdragen.

Een van de voornaamste beginselen van het humanitaire oorlogsrecht is het beginsel van non-reciprociteit. Dit betekent dat een staat, partij bij de Verdragen, niet de werking ervan kan opschorten omdat de tegenpartij, ook partij bij de Verdragen, zich niet houdt aan de regels. Vergeldingsmaatregelen zijn in de Verdragen van Genève slechts in zeer uitzonderlijke situaties en onder strenge voorwaarden toegestaan.

Buiten de vraag of de door Makken en Davids voorgestelde vergeldingsacties legaal zijn onder het jus ad bellum, zullen de VN dus rekening dienen te houden met de Verdragen van Genève.

Rob Drouen

De auteur is beleidsmedewerker bij de sectie internationaal humanitair recht van het Rode Kruis. Daarvoor was hij 17 maanden in Bosnië als verspreidingsgedelegeerde van het Internationaal Committee of the Red Cross.

Meer over