Moet de kwartaaldeadline weg?

PETER DE WAARD

In de jaren zestig deed de psycholoog Walter Mischel van Stanford University een experiment met kinderen van 4 en 5 jaar. Hij legde twee marshmellows op tafel. De kinderen mochten er één meteen opeten of ze mochten er over een kwartier twee opeten. Toen dertig jaar later werd onderzocht wie succesvoller waren in het leven, bleken het de mensen te zijn die als kind liever een kwartier later twee marshmellows aten dan zich meteen op de marshmellow stortten. Uit het experiment met de uitgestelde beloning werd geleerd dat spaarzaamheid en zelfdiscipline in het leven helpen.

In de jaren negentig van de vorige eeuw had niemand er een boodschap meer aan. Het nieuwe adagium was 'pakken wat je pakken kan'. De toekomst was niet te voorspellen. Als je het ene koekje niet pakte, dan was het risico dat ze er over een kwartier allebei niet meer zouden zijn. Daarom werd zelfs een voorschot genomen op de toekomst. De Amerikanen hadden daarvoor een creditcard, de Nederlanders de aflossingsvrije hypotheek. Heel de wereld zong met Queen: 'I want it all, I want it now'.

Zakenbankiers en bedrijfsmanagers die niet onmiddellijk succes hadden, werden net als voetbalcoaches bij de eerste gelegenheid aan de dijk gezet. De haute finance nam met het bonussysteem het premiesysteem van het voetballen over. Dat het misschien de bedrijven op lange termijn schade zou berokkenen, was minder belangrijk. In de nieuwe tijd van grote arbeidsmobiliteit waren de bestuurders dan meestal al vertrokken.

Beursvennootschappen moesten hun aandeelhouders op korte termijn belonen: via dividenden en anders via koerswinsten. Beursfondsen hadden daarvoor elk kwartaal een deadline. Dan moesten ze met de billen bloot door hun cijfers te presenteren. Het zou voorkomen dat bedrijven in slaap sukkelden. 'Investeren in de toekomst' was een excuus voor falen. Een visie op lange termijn klonk aardig, maar er waren altijd 101 en meer onzekerheden die de hele strategie in de soep zouden laten draaien. Ze konden misschien denken een aardige winst te hebben gemaakt, maar als ze niet aan de verwachtingen voldeden van Jos Versteeg (Theodoor Gilissen) of Corné van Zeijl (SNSecurities) kregen ze het deksel op de neus.

Sinds de crisis is duidelijk dat strategie en stabiliteit in een onzekere wereld wel degelijk nut hebben. Familiebedrijven waar directeuren gemiddeld 22 jaar blijven, doen het beter dan niet-familiebedrijven waar ze maar 7 jaar blijven en veel beter dan beursvennootschappen waar ze 3,5 jaar op het pluche zitten. Bijna alle eeuwenoude bedrijven hebben nooit een beursnotering gehad. Dat Duitsland het zo goed doet, heeft te maken met het relatief grote aantal familiebedrijven.

Misschien zouden beursvennootschappen hun resultaten maar eens per jaar of zelfs eens per drie jaar moeten publiceren. Ten slotte zijn beleggers net kinderen.

Reageren?

p.dewaard@volkskrant.nl

undefined

Meer over