Moeskroen

Moeskroen is de naam van een nederzetting die pal op de grens van België en Frankrijk ligt. Officieel is de grens er nog steeds, maar er zijn geen controles meer....

Verenigd Europa.

Aan de Belgische kant van de grens ligt verscholen achter een wal van betonblokken café-restaurant Inter. Je moet het weten, anders rijd je er voorbij. En daarna moet je stoppen en over het beton klimmen. Ja, voor Inter moet je moeite doen.

Het is een zaak voor truckers, mannen met grauwe koppen en Crocs, Zweedse klompen, of legerkisten aan hun voeten. In de grote zaal voorin kan gegeten worden, achterin, waar de bar is, kan gerookt en gedronken worden. Ook zijn er sigaretten te koop; alle mogelijke merken staan in hoge stapels in de schappen. Smokkeltijden herleven hier.

Inter is ook zo’n uitspanning die zijn klanten kent. De chauffeurs die hier komen, worden door twee dames van middelbare leeftijd, de ene blond, de ander kastanjerood, ontvangen als verloren zonen, maar daarna onmiddellijk met rust gelaten, want dat willen ze. Thuis zijn, en toch alleen en onderweg.

De voertaal is Vlaams, maar met Frans, Pools, Spaans, Italiaans, Tsjechisch en Italiaans kun je hier ook terecht. De truckerswereld omspant heel Europa, maar is in feite heel klein. Iedereen kent elkaar.

Over de tafeltjes in het restaurant liggen gebloemde kleedjes. De menukaart ligt klaar. De mannen strekken de benen en kijken om zich heen of er bekenden zijn.

Vandaag niet.

De menukaart biedt alles wat je verwacht in zo’n zaak, tot paardenbiefstuk aan toe. Precies op het moment dat de vermoeide chauffeur zijn keuze heeft gemaakt, verschijnt een van de twee moeders aan zijn tafeltje om de bestelling op te nemen. Het klinkt zo vanzelfsprekend, en logisch, en dat is het ook, maar toch is het een wonder van timing dat je maar zelden ziet.

De man plaatst zijn bestelling.

‘Met frietjes en sla’, vult de moeder aan, want zoiets weet zij van tevoren en bovendien zegt zij het op een toon die grote betrokkenheid bij het lot van de eenzame man verraadt. Iets van acteren komt er wel bij kijken, maar dat is helemaal niet erg.

‘Met frietjes en sla ja’, zegt de chauffeur en hij kijkt op, recht in de warme glimlach van de vrouw die hem even, een fractie van een seconde maar, écht aan zijn moeder deed denken. Die moet hij nodig weer eens bellen trouwens, zijn echte moeder.

‘En wat te drinken?’

‘Koffie graag.’

De vrouw verdwijnt naar de keuken om de bestelling door te geven en neemt op de terugweg een mandje met brood mee dat ze bij de klant op tafel zet. De rekening voor straks zit er ook al bij.

Het is goed toeven bij Inter. Niemand blijft er lang. Het eten is goed, stukken beter dan in de wereld van de snelweg, maar tot die wereld behoort de zaak ook eigenlijk niet, of misschien dat je kunt zeggen dat zij er met één been in staat. Dat is genoeg om dagelijks vol te zitten.

Ooit was het zo dat langs drukke wegen overal cafés en restaurants stonden, maar die wegen, die ook dwars door dorpen en steden voerden, bestaan niet meer. Ze zijn er nog wel, maar worden voor het grote internationale verkeer niet meer gebruikt. Dat speelt zich nu af in de gesloten wereld van de snelweg.

Van Kopenhagen tot Napels, van Warschau tot Lissabon; overal is die wereld hetzelfde, behalve als ergens een lek optreedt dat stand weet te houden. Zo’n lek is restaurant Inter bij Moeskroen, een topzaak die de Belgen tot nationaal erfgoed zouden moeten verheffen.

Meer over