MOEILIJKSTE OPGAVE

De moeilijkste opgave van het havo-examen wiskunde A was vraag 14. Volgens wiskundedocent Ale van Zandbergen een simpel zogeheten normaalverdeelsommetje....

Vraag 14 luidde vervolgens: 'Bereken de standaardafwijking van de lengte van 21-jarige jongens.'

Van Zandbergen: 'In zowel vraag 13 als 14 zat het probleem in het herkennen van de moeilijkheid. Dit gold voor het hele examen. De berekeningen waren niet echt moeilijk als de leerling maar wist wát hij moest berekenen.' Toch sprong vraag 14 er wat betreft de moeilijkheidsgraad uit: 'De som bevatte twee van die herkenningsproblemen en is daarmee de moeilijkste.'

Het eerste dat gevonden moest worden, was de betekenis van de waarde van P. Van Zandbergen: 'Het is eigenlijk een bekende variabele in een andere vorm. P staat voor de oppervlakte onder de grafiek in figuur 3. Dat hadden de leerlingen al moeten doorzien in vraag 13.'

Daarna kwam het volgende probleem aan het licht. 'De vraag handelt om 21-jarige jongens. Dat houdt in dat in de grafiek naar de waarde 210 op de Y-as gekeken moet worden. Maar de Y-as gaat slechts tot 200.'

De oplossing: 'Bereken het gemiddelde: (174+190)/2=182. Die waarde is wel te vinden in de grafiek. De leerlingen hebben geleerd gebruik te maken van de standaardnormaalverdelingtabel. Met behulp daarvan kunnen ze een vergelijking opstellen om de gevonden waarde te standaardiseren. Als de leerlingen die goed hebben opgelost, komt er het getal 6,25 uit.'

MD

Meer over