'Moeder van' duizenden kinderen'

Non (80) functioneert als schouder waarop dorpelingen uithuilen. 'Ik ben ingekapseld in de liefde van de dorpelingen.'..

Bidden tegen vleselijke verlangens werkt net als Haarlemmer olie. Dat kregen we vroeger als we ziek waren, want we hadden geen geld voor de dokter. Een schep suiker met evenzoveel druppels Haarlemmer olie als we in jaren oud waren. Tegen buikpijn, tandpijn, hoofdpijn, noem het maar op. Het werkte altijd.

De gelofte van zuiverheid betekent dat je je liefde niet tot een persoon beperkt. Daar om heb ik nooit het hoogste met een man gekend. En daarom heb ik mezelf behoed voor bepaalde contacten met de zusters. Ik wist ervan, want ik had het al eens meegemaakt voordat ik intrad.

Bidden helpt tegen vleselijke verleidingen, maar niet tegen de kinderwens. Daar is geen kruid tegen gewassen. Rond mijn 40ste heb ik het er verschrikkelijk moeilijk mee gehad. Ik stelde me voor hoe mooi het moest zijn om iets in je te hebben dat leeft en zal uitgroeien tot een volledig mens. Toen wist ik nog niet dat ik door mijn levenswijze uiteindelijk vele kinderen zou krijgen.

Ik was helemaal niet van plan om non te worden. Hoe dat is gebeurd, doet me altijd denken aan het verhaal over de profeet Ha ba kuk. Die werd door een engel aan zijn kruinharen meegesleurd om Daniël in de leeu wenkuil te eten te geven. Precies zo heeft God mij ruw meegetrokken.

Dat gebeurde in het jaar 1942. Ik was dienstmeid. En verloofd. We zouden spoedig gaan trouwen en veel kinderen krijgen. Ik was best een leuke meid om te zien. Ik hield erg van zingen en ook van schaatsen. Op het ijs was ik mijn verloofde tegengekomen. Hij kon goed schaatsen. Samen vormden we een mooi stel.

Maar ik kreeg het aan mijn rug. Al snel was het zo erg dat ik niet eens meer kon lopen. Ik moest geopereerd worden. Ik lag op een zaal met zeventien andere patiënten. We werden verzorgd door zusters. Op een dag zag ik er een paar staan kibbelen over een patiënt. Ineens besefte ik dat er niets bijzonders aan hen was, dat ze ook maar gewone mensen waren. Ik dacht: d t kan ik ook. Die gedachte liet me niet meer los.

Als zuster van het Gezelschap van Jezus, Maria en Jozef ging ik lesgeven. Eerst aan de lagere school en daarna op de mulo. Thuis gaf ik bijles Engels aan kinderen en later ook aan volwassenen. Om dit te kunnen doen moest ik veel studeren, want voordat ik in trad, had ik alleen lagere school. Ik deed de kweekschool, haalde daarna nog een hoofdakte, een akte Engels en een akte Duits. Toen ze me vroegen ook godsdienstles te gaan geven, ben ik theologie gaan studeren.

Ze zeggen dat ik een goede lerares was. Ik had er in elk geval ontzettend veel plezier in. Na schooltijd kwamen de kinderen naar het klooster voor een bijles. Soms vroegen ze mij om raad. Als er ruzie was met een vriendje of vriendinnetje bijvoorbeeld. Ik heb ook een keer bemiddeld bij de oprichting van een zangclubje dat door onderlinge strijd bijna de mist inging.

Voor de oudere zusters was het niet prettig om 's avonds nog kinderen over de vloer te hebben. Zij wilden op tijd naar bed. Toen zo'n twintig jaar geleden het klooster werd gerenoveerd, en er grotere kamers kwamen voor minder mensen, ben ik verhuisd naar een huis in een woonwijk. Hoewel ik het in het klooster ook goed had, was ik blij om in de wereld te gaan wonen en mijn deur te kunnen openen voor iedereen die maar wilde komen.

Eerst waren dat vooral de kinderen. Als ze in de buurt buiten speelden kwamen ze altijd even langs voor een snoepje. Oma zuster noemden ze mij. Soms kwamen er vier achter elkaar. Dan hadden ze aan elkaar doorgezegd dat er bij mij een zuurtje te halen viel. In mid dels zijn ze allemaal volwassen, maar ik heet nog steeds oma zuster.

Via de kinderen kwamen hun ouders. Die ontmoette ik op tafeltjesdag. Als ze vier kinderen op je school hebben zitten, krijg je echt een band met hen. Dan kwamen ze even een bakkie koffie bij je drinken. Anderen leerde ik kennen via de Engelse les. Vaak is er iemand die nog even blijft hangen. Eerst gaat het over koetjes en kalfjes, maar dan komen de verdrietelijkheden. Huwelijksproblemen, de dood van de man of vrouw, een dochter op het verkeerde pad.

Habakuk redde Daniël met zijn eten. Ik ben beschikbaar voor de mensen in mijn dorp. Ik luister naar hen en zeg dat ik voor hen zal bidden.

Ik bid twee à tweëenhalf uur per dag. Voor mezelf hoef ik niet meer zo veel te vragen dus bid ik voor anderen. Dat kan een psalm zijn. Bijvoorbeeld: "Schep in hen een zuiver hart o God en vernieuw in hen de oprechte geest." Of gewoon: "God, kunt u alstublieft Jantje, Pietje of Klaasje helpen."

Een klap kom je te boven door te bidden, houd ik iedereen voor. Je moet je overgeven aan God. Hij helpt je, of misschien is het een Zij, dat weet ik niet. Mogelijk komt de steun niet onmiddellijk, maar hij komt wel. Dat is geloof volgens mij: het vertrouwen dat alles weer goed komt. En dat gebeurt. Kijk maar naar buiten, het wordt weer lente.

Voor mensen geldt hetzelfde. Op een gegeven moment hervinden ze de moed om verder te leven. Dat klinkt hoogdravend, maar het betekent gewoon: de aardappels weer schillen, de wc poetsen. Het is niet allemaal glorie halleluja.

Niet geloven is volgens mij onmogelijk. Een mens moet wel ergens in geloven. Het maakt niet uit of je mohammedaan, hindoe of een katholieke boer bent. Het maakt niet uit of je je geloof openlijk belijdt of niet. Je komt zo veel mooie jonge mensen tegen die nooit naar de kerk gaan. Wie ben ik dan om te zeggen dat ze naar de Heilige Mis moeten? Ik denk er niet aan. Waar het om gaat is dat je goed bent voor anderen. Tot in het uiterste puntje van je ziel.

Als je geeft, krijg je ook weer terug. Ik ben ingekapseld in de liefde van de mensen in dit dorp. Ik heb veel vrienden. En duizenden kinderen. Net als een moeder heb ik vele kinderen geholpen om een volledig mens te worden. Als er een doodgaat, heb ik verdriet. Velen zie ik nog steeds. Mijn tuinmannetje bijvoorbeeld. Die gaf ik vroeger Engelse les. Laatst ontving ik een brief van een vrouw die veertig jaar geleden bij mij in de klas heeft gezeten. Dat kind was ik alweer helemaal vergeten.

Jaren geleden kwam ik als examinator een keer in het dorp waar ik mijn vroegere verloofde had ontmoet. In de zaal zat een jongen die erg op hem leek en bovendien dezelfde achternaam had. Hij bleek zijn zoon te zijn. Dat was even schrikken. Maar ik ben blij dat ik zijn moeder niet ben.

In de Bijbel staat een parabel over een man die zijn drie dienstknechten talenten gaf. Een knecht gaf hij er vijf, de tweede twee en de derde een. De eerste twee gingen met de talenten handelen en verdubbelden hun vermogen. Maar de knecht die er een had gekregen, begroef hem in de aarde. Toen de knechten terugkwamen met hun talenten, was de heer zeer ingenomen met de eerste twee, maar de derde kreeg straf.

Als non heb ik wel vijf talenten gekregen en ik heb ermee gewerkt. Ik heb gestudeerd en goed gedaan voor anderen. Als ik gewoon getrouwd was, had ik er maar een gekregen. Ik was huisvrouw geworden en zou al mijn energie hebben gegeven aan mijn man en kinderen. Ik zie het aan mijn zuster die is getrouwd: een geweldig mens met een prima verstand, maar van een heleboel zaken heeft ze geen idee.

Dit jaar word ik 81. Ik ben nog heel actief. Bijna elke dag geef ik Engelse les. Af en toe pas ik op de baby van de buren. Ik heb het drukker dan de meeste grootmoeders. Maar ik sta op de nominatie om te gaan. Er is iets niet goed met mijn hoofd. Heer, ik ben zo blij dat ik er ben, zeg ik elke ochtend tijdens het bidden.

Ik vertik het om hier achter de geraniums te zitten. Liever ga ik naar het bejaardentehuis voor nonnen. Maar nog beter zou het zijn als ze me hier in een kist weg moeten dragen voordat het zover is.

Het is niet dat ik het leven in de communiteit vervelend vind, integendeel. Maar ik zou al mijn sociale contacten in de wereld verliezen. De drempel van een klooster is hoog. Hier staat de deur altijd open.'

Meer over