Modder, bloed en schofterigheid

Shakespeare wijdde menig koningsdrama aan de onoverzichtelijke Rozenoorlogen die de tweede helft van de vijftiende eeuw in Engeland werden uitgevochten....

JAN JOOST LINDNER

RICHARD PLANTAGENET, hertog van York, was eind 1460 troonpretendent en oppositieleider in Engeland. In de slag bij Wakefield kwam hij om. Volgens Shakespeare (in Henry VI, deel 3) werd hij echter gevangen genomen, waarna koningin Margaret (een meisje Anjou) een papieren kroon op zijn hoofd zette, hem in wijdlopige rijmen uitschold, bespotte en hem daarna - samen met Lord Clifford - doorstak.

Geloof Shakespeare maar niet wat de details of de samenhang in de Engelse geschiedenis van enige eeuwen eerder betreft. In dit geval verbleef Margaret in Schotland, terwijl de hertog van York in de slag sneuvelde. Wel werd zijn zeventienjarige zoon Rutland, nadat hij gevangen was genomen, afgeslacht. Nadat York's hoofd en dat van zijn zoon waren afgehouwen, kreeg hij een papieren kroon op. De hoofden werden later op een poort van de stad York tentoongesteld.

Overigens werd York's oudste zoon (18) een half jaar later gekroond als koning Edward IV. Tien jaar later echter zou de vrome en half gekke Lancaster Hendrik IV vanuit de gevangenis in de Tower weer op de troon komen. Als 'een baal wol' zat hij daarop, volgens tijdgenoten. Enkele maanden daarna - het was duizelingwekkend - was het Edward van York die won. Hij zou regeren tot zijn plotselinge dood in 1483. De herlevende strijd om de troon eindigde twee jaar daarna met de dood van de beruchte bultenaar Richard III, jongere broer van Edward, in de slag bij Bosworth ('een koninkrijk voor een paard').

Zonder Shakespeare's 'verdichting' waren de tijden al dramatisch, grimmig en bloedig genoeg. Alison Weir beschrijft in Lancaster and York - The Wars of the Roses de eerste Rozenoorlogen tussen de Lancasters en de Yorks tussen 1455 en 1471. Zij eindigt met Edward's definitieve overwinning op Hendrik VI, die - vrijwel zeker op bevel van de contra-koning - in de Tower werd vermoord.

Weir schrijft beroepsmatig over Britse koningshuizen en oudere Britse historie. Zo behandelde zij eerder de hele vrouwenschare van Hendrik VIII en ook het geheimzinnige en treurige verhaal van Richard III en zijn twee neefjes: de twaalfjarige, afgezette koning Edward V en zijn broertje. Ook zij werden omgebracht in de Tower (1483). Volgens Weir gebeurde dat vrijwel zeker op bevel van oom Richard.

De term Wars of the Roses is pas sinds Sir Walter Scott (vorige eeuw) in gebruik en verwijst naar de - ook bij Shakespeare voorkomende - legende dat de eerste York en zijn pro-Lancasterse tegenstander Somerset ieder een eigen roos plukten in de Londense Temple Garden. York had inderdaad een witte roos in zijn wapen, maar de valk was een belangrijker symbool voor zijn huis. Tijdgenoten spraken van de Cousins Wars, want zo verhielden Hendrik VI en Edward IV zich.

Lancaster and York is een breed opgezet, plezierig geschreven en zeer betrouwbaar ogend werk geworden. Deze helle schildering van de vijftiende eeuw in Engeland doet slechts weinig onder voor Barbara Tuchman's befaamde beschrijving van het veertiende-eeuwse Frankrijk.

Het is er - gezien de aanloop van de Honderdjarige Oorlog - in zekere zin een opvolger van, niet minder leesbaar voor wie al enige interesse voor de late middeleeuwen heeft en zich niet laat afschrikken door het feit dat meer modder, bloed en schofterigheid dan romantiek en ridderlijkheid voorradig blijken.

Weir besteedt ruim eenderde van het boek aan de voorgeschiedenis van de oorlogen: vanaf 1399 regeert Lancaster (nadat Hendrik IV illegaal aan de macht was gekomen) tot aan de nederlaag tegen Edward van York in 1461. De Yorkse aanspraken op de troon waren sterker, ook al ontbraken heldere regels voor troonsopvolging via zijlijnen.

Overigens hebben de Lancasters dank zij Hendrik V wel naam gemaakt (Azincourt). Deze regeerde aan het begin van de vijftiende eeuw en werd als krachtig vorst en dito veldheer de lieveling van Shakespeare en bijna alle geschiedschrijvers. Maar in de twintigste eeuw zijn onaangename feiten over zijn kilheid en onnodige wreedheid opgedoken. De goede reputatie van de Lancasters werd tijdens de lange regering van de zwakke Hendrik VI weer verspeeld. Engeland verloor de Franse gebieden grotendeels, mede dank zij Jeanne d'Arc (verbrand in 1430), terwijl het bestuur in eigen land steeds schandaliger werd.

DE MEESTE hoofdpersonen worden met mooie pen getekend, maar Weir overtuigt ook met een bredere analyse van de macht in de toenmalige samenleving. De Nevenoorlogen waren vooral een strijd tussen grote adellijke 'magnaten', die hun privé-troepen - er was geen nationaal staand leger - vooral inzetten voor het eigenbelang.

Als lid van de 'hofpartij' konden ze de koning manipuleren, vooral een zwakkeling als Hendrik VI en zo landgoederen en stromen geld vergaren. Dit tot woede van de kooplieden en het nog gewonere volk. De (beginnende) opkomst van de burgerij speelde bij dit alles vooral een rol in die zin dat er meer propaganda voor nodig was om geld en manschappen los te peuteren. De smerige streken van de adellijke tegenpartij werden steeds breed uitgemeten of desnoods verzonnen.

Londen bezat één brug - het meeste verkeer ging over water - en tachtig kerken. Het was een grote tijd van kerkenbouw en vrome muziek.

Het recht was te koop en corruptie gebruikelijk, dit alles tot nut van de adel en tot verbittering van de kleine burgers. Deze eerbiedigden de mystiek van het koningschap wel, maar vaak hoopten ze op een oppositie die de gehate 'hofpartij' zou wegjagen. Zo'n omwenteling is drie keer voorgekomen in de besproken periode, maar heeft nooit lang verbetering gebracht.

De hoge adel van die tijd maakt een puberale indruk: snel opgewonden lieden die niet alleen altijd hun zin moeten hebben, maar ook terstond, en die, als dat niet gebeurt, naar het zwaard grijpen. Er werd steeds gevochten, in Frankrijk of in Engeland zelf. Dat was geen geringe zaak, want wie bij de verliezers hoorde, liep een grote kans in de slag te sneuvelen, of anders meteen daarna bij de vlucht of wat later op het schavot. En een gewone dood gold als mild.

De code om gewone soldaten te sparen, werd minder aangehouden naarmate de strijd grimmiger werd. Overigens waren er onder de uit Frankrijk terugkomende soldaten nogal wat die bij gebrek aan oorlog als struikrover of zelfs als huurmoordenaar aan de kost kwamen. In het algemeen werden de soldaten vooral gemotiveerd door angst en honger en buit.

Wie de nederlaag zag aankomen, kon beter als eerste wegwezen of (als aanvoerder) overlopen. Soms was zulk verraad op het slagveld vooropgezet. De coalities wisselden nogal eens van personele samenstelling. Als een duke of earl toch al wilde overlopen, koos hij daarvoor het meest effectieve moment. Bij een latere veldslag was het geroep van 'verraad' al genoeg voor veel Lancasterse troepen om een positie op te geven, ook al was die bepaald niet hopeloos.

Shakespeare tekende het tragisch-zinloze karakter van de oorlogen. Na een van de slagen ontdekt een zoon dat de door hem gedode vijand zijn vader is en even later brengt een vader zijn door hemzelf gedode zoon. Vooral bij edelen en hun beroepspersoneel is de bloeddorst algemeen. En die wordt allerminst getemperd door de - meestal sentimentele - vroomheid of door het bijgeloof. Als zulke adel niet in toom (en bezig) gehouden wordt door een sterke koning, en dus kan roven en moorden naar believen, zijn het slechte tijden voor de rest van het land. Dat geldt speciaal tijdens Hendrik VI, volgens Weir 'als mens deugdzaam en goed, als koning een ramp'. Hij doet aan strikte zondagsheiliging en intensiveert de ketterverbranding.

Een bijkomende catastrofe blijkt zijn mooie, jonge echtgenote, Margaret van Anjou, te zijn. Zij leidt een opwindend, maar zelden goed gehumeurd leven. Zij speelt al gauw de baas over de Lancasterse hofpartij en maakt deze in de ogen van de gewone mensen steeds beroerder. Ze jaagt de sterke, populaire clan van York steeds weer onnodig tegen zich in het harnas. Als Française is ze toch al verdacht en niet alleen wegens de eerdere oorlogen. Volgens Weir kijken de Engelsen in die tijd al erg neer op àlle buitenlanders.

York en zijn belangrijke bondgenoot, de succesvolle krijgsheer Warwick, willen pas in 1460 aanspraak op de troon maken. Eerder gaat het, ook in de militaire confrontaties vanaf 1455, om de politieke uitschakeling van de de hofpartij en van Margaret's invloed. Op den duur zien zij echter in dat de vrome Hendrik hopeloos is. Margaret wint nog één slag (Wakefield, waarbij York omkomt). Zij geeft haar noordelijke troepen de vrije hand om in het veel rijkere Zuid-Engeland te plunderen, te verkrachten en te verwoesten. Alleen zo kwam zij aan genoeg soldaten.

Een groot nadeel van deze barbaarse tactiek is dat de heren na een overwinning toch eerder aan de buit denken dan aan het voorgoed uitschakelen van de vluchtende vijand. Bovendien gaan zij al tevreden naar huis wanneer die buit groot genoeg is. Tegelijk loopt het zuiden te hoop ten gunste van de hertog van York om zich tegen de noordelijke barbaren te beschermen. Dit alles kost de Lancasters in 1461 de kroon.

De nieuwe koning Edward IV - een groot militair, maar ook een groot hedonist - sticht een schitterend ('Bourgondisch') hof, waar het de adel voor het eerst verboden wordt van het mes te eten. Hij is voor die tijd erg hygiënisch, want hij wast zich eens per week. Hij heeft meer tijd voor dames, dansen en sport (!) dan voor het bestuur. Al spoedig blijkt zijn 'hofpartij' al even corrupt als de vorige, vooral na zijn liefdeshuwelijk met de mooie 'commoner' Elizabeth Wydville. Een hyena is zij en in bezit van een ongemakkelijk grote familie met verwant karakter. De leden van die familie moeten overigens wel knielen als ze de nieuwe koningin aanspreken. Tot bevreemding van het hof had de jonge weduwe Elizabeth overigens geweigerd gewoon maîtresse te worden van de koning, wat vrijwel zeker spoedige afdanking zou hebben betekend. Bij Shakespeare wordt dit alles in een erg komische dialoog afgewikkeld.

In hetzelfde stuk (Henry VI, deel 3) verandert de grote veldheer Warwick, bondgenoot en eerste adviseur des konings, nogal abrupt en kwalijk van partij. In werkelijkheid gebeurde dat pas na acht jaar, waarbij hij zich steeds meer ergerde aan de nieuwe familie van de koning en aan het feit dat hij niet meer in vertrouwen werd genomen. Edward's jongere broer Clarence gaat met hem mee.

Het koninklijk huwelijk werd door iedereen hoogst ongepast en dom gevonden. Waarbij nog kwam dat de Franse politiek van Warwick - een huwelijk met een schoonzuster van de Franse koning incluis - op deze lichtzinnige manier doorkruist werd. Aardig is ook dat Edward zijn huwelijk nog maanden geheim heeft gehouden.

IN DE slothoofdstukken domineren de boeiende intriges rond Franse bondgenootschappen. Koning Lodewijk XI, bijgenaamd 'de Spin', wilde de Lancasters terug op de Engelse troon, zodat die hem dan konden helpen tegen zijn aartsvijand Karel de Stoute van Bourgondië. Daartoe moesten Warwick en de nog steeds diep gekrenkte Margaret verzoend worden, wat niet zonder schimpscheuten en huichelarij lukte.

Warwick kreeg in geval van een overwinning van Lodewijk èn Lancaster zelfs Holland en Zeeland aangeboden. Van enthousiasme blijkt weinig, vermoedelijk omdat Vlaanderen een stuk belangrijker was dan dat zompige geheel in het noorden. Overigens kwam het niet zo ver, ook al moest Edward IV in 1470 via Alkmaar en Den Haag naar zijn Bourgondische vrienden in Brugge vluchten, vanwaar hij de beslissende invasie voorbereidde. Na de definitieve nederlaag van de Lancasters, Margaret, Hendrik en Warwick in Engeland, verzoenden de Franse rivalen zich. Dit tot opluchting van de Engelse kooplieden, die nu weer hun wol aan de Nederlanden kwijt konden.

De Rozenoorlogen waren zeer schadelijk voor de voordien florerende Engelse economie, maar ze waren ook politiek, cultureel en moreel een dieptepunt. In Weir's boek lopen erg weinig eerlijke, onzelfzuchtige en verstandige mensen rond. Ze waren er natuurlijk wel, maar ze speelden geen rol. Mede daardoor konden de zinloze Engelse avonturen in Frankrijk niet worden voorkomen net zomin als de onderlinge slachtpartijen die niets oplosten.

De politieke structuur en het karakter van de adel - vooral hun tomeloze oorlogszucht - lieten weinig ruimte voor redelijkheid en compromis. Wij zien de sindsdien vormgegeven democratie dagelijks met vele (soms hilarische) gebreken functioneren. Maar wie geschiedschrijving als deze leest, beseft wat scherper hoe mooi die - wat late - uitvinding eigenlijk is.

Alison Weir: Lancaster and York - The Wars of the Roses.

Jonathan Cape, import Nilsson & Lamm; ¿ 59,80.

ISBN 0 224 03834 6.

Meer over