'Mo' wankelt in Noord-Ierse kwestie

Marjorie 'Mo' Mowlam (48) is de Britse minister voor Noord-Ierland. Na een hoopgevende start verkeert zij nu in grote problemen....

WIE ZICH vrijwillig aanmeldt voor de functie van minister voor Noord-Ierland in een Brits kabinet, moet beschikken over het incasseringsvermogen van een bokser, het analytisch vermogen van een schaker en het doorzettingsvermogen van een poolreiziger. Daarnaast dient de gegadigde de optimistische levensvisie te hebben van de terdoodveroordeelde die tot op het schavot blijft geloven in een gunstige wending.

Niet voor niets zei Marjorie 'Mo' Mowlam kort na haar aantreden in een van de zwaarste functies van de Britse politiek, dat zij niet zo'n last had gehad van concurrenten die ook uit waren op haar baantje. 'De belangstelling was niet zo groot.' Mowlam wilde het wel. 'Heel graag zelfs.'

Mowlam geloofde dat zij kon slagen, waar een indrukwekkende reeks voorgangers had gefaald en hevig vermoeid, danig teleurgesteld en vooral diep gefrustreerd de pijp aan Maarten had gegeven. Als er in Groot-Brittannië één ministerspost is waarvan doorgaans met een gevoel van grote opluchting afscheid wordt genomen, dan is het wel die van minister voor Noord-Ierland.

Die minister, hebben veel van Mowlams voorgangers ondervonden, houdt zich bezig met een taak - vrede brengen in een verscheurde provincie - die als pure Sisyfusarbeid moet worden gezien. Elke schijnbare stap voorwaarts wordt bijna per definitie gevolgd door een (of twee) stappen achteruit. Wat door de ene partij als positief wordt ervaren, is haast automatisch negatief in de ogen van de andere.

Maar toen Mo Mowlam in mei vorig jaar voor het eerst als minister afreisde naar Belfast, deed ze dat in de overtuiging dat aan dat gegeven een einde kon worden gemaakt. Haar optimisme en aanstekelijk enthousiasme gaf nieuwe hoop in Noord-Ierland. Maar al in de zomer kwamen de eerste problemen, rond de parades van de Oranje-orde.

Toen die achter de rug waren - en Mowlams imago zowel bij protestanten als katholieken de eerste deuken had opgelopen - nam de hoop weer een beetje toe, toen in september het merendeel van de Noord-Ierse partijen rond de tafel ging zitten voor de vredesonderhandelingen.

Mowlam zette een strak tijdschema uit. In mei van dit jaar moeten de onderhandelingen zijn afgerond en moet er een voorstel op tafel liggen dat in een referendum kan worden voorgelegd aan het Noord-Ierse volk. Maandag worden - als het goed is - de besprekingen hervat, binnen tien weken moet er overeenstemming zijn. Maar er zijn in Noord-Ierland niet zo heel veel mensen meer over die daar nog in geloven.

Net als haar voorgangers dreigt Mowlam verstrikt te raken in de ongelooflijke complicaties van het Noord-Ierse politieke bedrijf, in de krankzinnige tegenstellingen binnen de Noord-Ierse gemeenschap en de eindeloze spitsvondigheid van de plaatselijke politici in het vinden van voetangels en klemmen en het opblazen van details.

De onderhandelingen, nog niet zo lang geleden gezien als de grootste kans op vrede in bijna dertig jaar, dreigen nu om zeep te worden geholpen door een kleine groep fanatici, die erin lijken te slagen hun meer gematigde broeders in hun wantrouwen mee te slepen.

Mowlam stortte zich na de kerst, na de moord op de loyalistische terrorist Billy Wright en de daaropvolgende wraaknemingen op twee katholieken, in een lange reeks gesprekken, om te redden wat er te redden viel. Maar het begint erop te lijken dat de Gordiaanse knoop ook voor deze minister onontwarbaar zal blijken.

Fanatici aan nationalistische zijde geloven niet dat het vredesproces zal leiden tot wat zij als de enige acceptabele uitkomst zien: aansluiting van Noord-Ierland bij de Ierse Republiek. En hun al even blind-fanatieke collega's in het loyalistische kamp zijn ervan overtuigd dat de onderhandelingen op termijn maar één doel hebben: aansluiting van Noord-Ierland bij de Ierse Republiek.

Binnen die gekmakende en ogenschijnlijk onoplosbare paradox moet Mowlam haar weg zien te vinden.

De situatie zou nog beheersbaar zijn als de meer gematigde krachten aan weerszijden van het politieke spectrum wel geloofden in eerlijke onderhandelingen, waarin wederzijdse concessies tot een voor beide kampen aanvaardbare oplossing kunnen leiden.

Maar er zijn steeds sterkere tekenen dat dat niet het geval is. Ken Maginnis, een van de leidende figuren binnen de UUP, de grootste Unionistische partij, drong recentelijk aan op het aftreden van Mowlam. Hij vond dat zij de afgelopen maanden veel te veel concessies had gedaan aan de nationalisten. Even later waarschuwde Sinn Fein-leider Adams Mowlam dat zij niet te veel concessies moest doen aan de loyalisten.

Binnen een paar dagen zal blijken of de moedige Mowlam het steeds sterkere wantrouwen zal weten te overwinnen en het vredesproces nieuw leven zal kunnen inblazen. Maar het optimisme daarover is in Noord-Ierland in pessimisme omgeslagen, en Mowlam staat al op het schavot.

Bert Wagendorp

Meer over