Miti's en legenden

Het Japanse ministerie van Handel en Industrie, Miti, was de drijvende kracht achter het succes van het naoorlogse industriebeleid. Dit beeld is krachtig veranderd nu de consument de weg vindt naar buitenlandse produkten....

FOKKE OBBEMA

JARENLANG gold het industriebeleid van Japan als een toonbeeld van succes. Een cruciale rol was weggelegd voor Miti, het Japanse ministerie voor Handel en Industrie.

Die tijden zijn veranderd. Japan voelt de tucht van de wereldeconomie en de macht van Miti is ondergraven. Onder druk van het eigen bedrijfsleven werpt het ministerie zich nu op als kampioen van de deregulering, ook al zal het daardoor nog meer aan invloed inboeten.

De Japan-kenner Karel van Wolferen kon er in 1989 nog aangrijpend over schrijven. In De onzichtbare drijfveren van een wereldmacht signaleerde hij in Japan een 'formidabel nationaal streven dat nauwelijks wordt begrepen' - de Japanners waren vrijwel onopgemerkt bezig de economische wereldmacht te veroveren. Vanaf 1986 waren Japanse ondernemingen 'plotseling op grote schaal' gaan investeren in het buitenland. Het opkopen van financiële instellingen gaf aan dat 'Tokyo' een greep op de mondiale geldmarkten wilde krijgen.

Een cruciale rol bij de economische greep naar de macht speelde 'de samenwerking tussen bureaucratie en bedrijfsleven', waarbij Miti de grote kracht was. Het had 'bepaalde takken van de industrie gekneed, samengevoegd en gevormd om ze collectief geschikt te maken' voor de concurrentieslag met de buitenlanders.

Dit verhaal viel eind jaren tachtig in vruchtbare aarde. Japanse bedrijven hadden vooral in de VS enkele spectaculaire aankopen gedaan, waardoor heel wat Amerikanen last kregen van xenofobie. Enkele parels van Hollywood, zoals de filmstudio's CBS en MCA, waren opgeslokt door de grootmachten Sony en Matsushita.

Het kan verkeren. CBS bezorgde Sony in het afgelopen boekjaar voor het eerst een verlies. En van Matsushita is bekend dat het al lang van MCA afwil.

Japan valt zes jaar later onmogelijk meer af te schilderen als een onaantastbare economische supermacht. Van Wolferen publiceerde zijn boek precies op het moment dat de tweede economie ter wereld op haar hoogste punt stond. In de jaren daarna bleek het land zwaar te zijn overschat. De Japanners, overtuigd van hun eigen economische succes, hadden zich overgegeven aan een enorme speculatiedrift. Banken gaven te grif kredieten, bedrijven stelden krankzinnige investeringsplannen op en consumenten waagden zich aan te hoge hypotheken en te dure aandelen.

Toen plots de twijfel toesloeg of Japan al die overspannen verwachtingen wel kon waarmaken, knalde de luchtballon uit elkaar. De Nikkei-index van de beurs van Tokio denderde terug van 39 duizend naar 16 duizend punten. Die crisis op de financiële markten liet ook de onderliggende bedrijvigheid niet onberoerd. Na de bubble-jaren volgde een recessie die in 1991 begon en maar liefst tweeëneenhalf jaar zou duren - de langste recessie op één na sinds de Tweede Wereldoorlog.

Momenteel krabbelt de Japanse economie langzaam uit het dal overeind. Maar van een overtuigend economisch herstel, zoals in de VS, is nog geen sprake. De bedrijfswinsten nemen wel aardig toe, echter niet vanwege hogere verkopen maar omdat de bedrijven hun kosten in de hand weten te houden.

Het handelspolitieke recept waarmee de Japanse industrie onder aanvoering van Miti grote successen boekte, was tweeledig. Enerzijds het afschermen van de eigen thuismarkt tegen buitenlandse concurrentie en anderzijds het elders veroveren van zoveel mogelijk marktaandeel, desnoods ten koste van de winst.

Deze formule heeft bijgedragen aan de vorming van het beruchte handelsoverschot. Groot verschil is dat tegenwoordig ook het Japanse bedrijfsleven van dit overschot af wil, omdat het heeft geleid tot een te drastische waardestijging van de yen.

Van 238 yen per dollar in 1985 is de Japanse munt gestegen naar iets minder dan 100 yen per dollar in 1995. Dat doet de Japanse exporteurs pijn en biedt importeurs steeds meer kansen. De oplossing ziet het grote bedrijfsleven in het openstellen van de thuismarkt voor importprodukten. Een opvatting die niet gedeeld wordt in bepaalde sectoren die de buitenlandse concurrentie met angst tegemoet zien, maar die wel de dominante opvatting binnen het bedrijfsleven is geworden.

De multinationals hebben ook een dreigement achter de hand. Verbetert de situatie niet, dan zullen nieuwe investeringen niet in Japan maar in goedkope Aziatische landen worden gedaan. Vanuit die landen valt wèl goedkoop te exporteren en is het met de waardevolle yen heel aardig inkopen.

Naast de producenten zetten ook de consumenten steeds meer druk op de Japanse autoriteiten om toe te geven aan liberalisering van de thuismarkt. Dat gebeurt niet via belangenorganisaties, maar doodgewoon op de winkelvloer. Na jaren van mondjesmaat inkopen, is de Japanse consument bezig om overstag te gaan voor veel goedkopere buitenlandse produkten.

Gemiddeld ligt het prijsniveau in Japan 40 procent hoger. Buitenlandse aanbieders als Compaq (pc's), Agfa (foto's) en Tower Records (cd), om maar een greep te doen, veroveren marktaandeel door met prijzen te stunten. De grootste supermarktketen, Daiei, heeft besloten mee te doen. Het 'reduceren van de kloof tussen buitenlandse en binnenlandse prijzen' is zelfs het streven van bestuursvoorzitter Nakauchi Isao. Tegen die combine van producenten en consumenten is zelfs voor de Japanse bureaucratie geen kruid gewassen. Miti heeft dat als een van de eerste departementen onderkend, zo bevestigen vriend en vijand, en is aan de slag gegaan met het bedenken van een nieuwe importstrategie.

Tegenwoordig staat het departement vooral bekend als de kampioen van de deregulering. De kunst van die operatie is om meer buitenlandse concurrentie toe te laten, zonder dat direct delen van de eigen industrie worden weggevaagd.

Met deregulering knaagt Miti aan de eigen machtsbasis, het vermogen om de industrie te reguleren.

'De parallel met Europa is groot. Ook wij moeten proberen nieuwe banen te creëren, terwijl bedrijven zich aangetrokken voelen door de lage-lonenlanden van Azië', zo schetst ambtenaar Junji Yoshiwara, op Miti verantwoordelijk voor de handelsrelaties met Europa, het dilemma waarin zijn ministerie zich bevindt. De Aziatische investeringsdrang van het Japanse bedrijfsleven vindt hij 'op zich niet ongezond', zo lang de economie maar groei vertoont.

De strategie van Miti komt aardig overeen met de plannen van het Nederlandse ministerie van Economische Zaken. In de slag met Aziatische landen moet het welvarende Japan zich toeleggen op produkten met een hoge toegevoegde waarde: biotechnologie, telecommunicatie en multimedia. Hetzelfde lijstje ligt ook bij de Europese en Amerikaanse beleidsmakers, geeft Yoshiwara grif toe.

'Vroeger was het voor ons gemakkelijker, omdat we wisten dat we het westerse model moesten volgen. Maar nu is er niemand meer die het voorbeeld geeft. Niemand weet wie de toekomstige winnaars zijn, zeker de overheid niet. Wel kunnen we via deregulering proberen ondernemerschap te bevorderen. Wat we nodig hebben is een proces van vallen en opstaan, van creatief ondernemerschap.' Hans Wijers had het zelf gezegd kunnen hebben.

Ook Yoshiwara ziet krachten die zich tegen deregulering verzetten. Naast het ministerie van Landbouw noemt hij het machtige ministerie van Financiën. ' Maar ook daar signaleert hij een groeiend bewustzijn dat er toch iets moet veranderen. 'Er zijn al bedrijven van de beurs weggegaan. Het ministerie van Financiën is bezorgd om het weglekken van handel naar Hongkong en de Amerikaanse beurzen.'

Shinji Fukakawa is de éminence grise van het vroegere industriebeleid. Van 1986 tot 1988 was hij secretaris-generaal van Miti. Op die hoogst haalbare positie voor een ambtenaar gold hij als een van de meest invloedrijke bureaucraten van het land. Tegenwoordig is hij directeur van de thinktank van Dentsu, een van de grootste reclamebureaus van Japan. De buitenwereld heeft de neiging om de invloed van de Japanse overheid, en in het bijzonder Miti, te overschatten, is zijn overtuiging. Als voorbeeld noemt hij de handelsbesprekingen tussen de VS en Japan.

Op instigatie van president Clinton drongen de Verenigde Staten lange tijd aan op kwantitatieve afspraken over het opvoeren van de import door Japanse bedrijven. Na al dat jarenlange gepraat moesten er maar eens harde afspraken worden gemaakt, meenden de Amerikanen.

'Maar wij kunnen onze industrie niet verplichten Amerikaanse spullen te kopen. Dat past niet in een vrije markteconomie', merkt Fukakawa droogjes op. Ook Europa vond dat de VS op dit punt te ver gingen. Inmiddels lijken de kwantitatieve doelstellingen van de baan.

Fukakawa is ervan overtuigd dat het de nieuwe rol van Miti is zoveel mogelijk deregulering te bevorderen. Wel zal het verlagen van de binnenlandse prijzen geleidelijk moeten gebeuren. De sociale consequenties dreigen anders te ingrijpend te worden. In dat verband heeft hij recent geadviseerd een uitgebreid demografisch onderzoek naar de boerenbevolking te laten doen. Die bedrijfstak is in zijn ontwikkeling ver achtergebleven. De te verwachten werkloosheid is minder ernstig als het merendeel van de boeren in de komende jaren toch al met pensioen gaat.

De machtspositie van Miti zal zich wijzigen, is de overtuiging van Fukakawa. 'Natuurlijk zal Miti door deregulering aan autoriteit inboeten en er zijn zeker krachten binnen het departement die zich op deelgebieden verzetten. Maar voor de oude taken zullen nieuwe in de plaats komen, zoals het bevorderen van de komst van de elektronische snelweg en het stimuleren van fundamenteel onderzoek.'

Met de geldbuidel zal Miti in dat verband nauwelijks kunnen zwaaien. 'In financieel opzicht is het een zwak ministerie, want de begroting van Miti maakt maar 1,5 procent van de totale begroting uit.' Veel meer dan het scheppen van goede voorwaarden waaronder fundamenteel onderzoek kan plaatsvinden, kan Miti niet doen. 'Miti kan een rol spelen in de organisatie door het bevorderen van samenwerking tussen universiteiten, bedrijven en andere onderzoeksinstellingen.'

In de machtsverhouding tussen Miti en de multinationals is een verschuiving opgetreden ten gunste van de laatste, constateert Fukakawa. Het dreigende weglekken van investeringen naar het buitenland heeft daaraan bijgedragen. Die opkomst van de Aziatische landen ziet Fukakawa op de wat langere termijn. 'Wanneer de huidige trend van Japanse investeringen in Azië nog een jaar of vijf à tien doorzet, wordt de de-industrialisering van Japan een serieus onderwerp.'

Meer over