MISLUKTE BEELDENSTORM

ER ZIJN vragen die niet verdwijnen. Die zelfs na tientallen jaren blijven kwellen. De gebeurtenissen in de Tweede Wereldoorlog, met name de bijna perfect georganiseerde moord op miljoenen Europese joden, vormen een rijke bron van dat soort vragen....

De meesten onzer zijn cynisch genoeg om er van uit te gaan dat homo homini soms lupus is (de mens de mens een wolf). Maar toch. Wat bezielde degenen (onderdanen van het Duitse Derde Rijk) om Hitler's bevelen inzake de Endlösung der Judenfrage nauwgezet uit te voeren, zelfs al ging het om moord op baby's en bejaarden? En hoe kon het gebeuren dat de joodse bevolking uit Duitsland's bezette buurlanden naar een onbekende, dreigende bestemming werd afgevoerd, zonder dat de niet-joodse medeburgers dat wisten te verhinderen?

Boekenkasten, nee bibliotheken, zijn erover vol geschreven, maar een bevredigend antwoord op die vragen is er niet. Zal er vermoedelijk ook nooit komen. Wat niet wegneemt dat auteurs als Laqueur, Arendt en - voor de gang van zaken in Nederland - Presser, De Jong en Blom veel hebben kunnen verhelderen.

Omdat het een thema betreft dat de fantasie en het geweten blijft prikkelen, staan er geregeld weer nieuwe historici op die een verklaring zoeken. Vorig jaar verscheen Daniël Goldhagen's geruchtmakende boek Hitler's willing executioners, dat allerwegen door gevestigde historici werd afgekraakt, maar toch een heftig debat losmaakte. Dat kwam ongetwijfeld door Goldhagen's provocerend geformuleerde stelling dat gewone Duitsers van harte aan de uitroeiing van de joden hadden meegedaan, en dat Hitler met gemak kon voortbouwen op een in Duitsland sterk ontwikkeld antisemitisme.

Het baarde vooral opzien dat hier een historicus niet - zoals in dit métier gebruikelijk - in gedempte, academische bewoordingen sprak, maar een beschuldigende vinger tegen het Duitse volk leek op te heffen. Leek, want bij nadere bestudering beweert Goldhagen niet méér dan dat antisemitisme een voorname factor was, en dat ook Duitsers die geen nazi waren actief aan de holocaust hebben meegewerkt. Het Antwoord is bij Goldhagen, anders dan hijzelf suggereert, niet te vinden.

Een vergelijkbare pretentie heeft de Nederlandse historica Nanda van der Zee met haar pas verschenen boek Om erger te voorkomen. Volgens de achterflap wordt 'hier voor het eerst luid en duidelijk - en in zijn volle breedte - de schuldvraag gesteld en beantwoord'.

Mama mia, dat is geen kleinigheid.

In haar voorwoord formuleert de schrijfster haar bedoeling wat nauwkeuriger. 'Eind jaren tachtig besloot ik te onderzoeken hoe het mogelijk is geweest dat van een land waarvan de bevolking nauwelijks voor de nationaal-socialistische ideologie te winnen was, en waar slechts bij een zeer kleine groep sprake was van een virulent antisemitisme, niettemin bijna de gehele joodse bevolking is omgekomen. In de werken van gezaghebbende historici, onder wie ook Presser, werd voor mij geen bevredigend antwoord op die vraag gegeven. Allengs werd mij duidelijk dat eigen onderzoek noodzakelijk was'.

Tabula rasa dus, en beginnen bij het nulpunt. Zoals viel te voorspellen, stelt het resultaat van deze poging tot beeldenstorm teleur. En niet zo'n beetje ook. Want weliswaar is er niets mis met Van der Zee's vraagstelling (hoe kon ruim driekwart van de Nederlandse joden zonder al te veel problemen worden gedeporteerd?), haar antwoorden zijn deels verre van nieuw en deels belachelijk.

Met zevenmijlslaarzen beweegt ze zich door de geschiedenis. In hoofdstuk 1 wordt overtuigend aangetoond dat het in Duitsland na 1933 niet pluis was voor de joden (maar dat wist ik eerlijk gezegd al). Voorts passeert het vooroorlogse Nederlandse vluchtelingenbeleid de revue, (bureaucratisch en niet erg humaan), alsmede de houding - tijdens de bezetting - van Nederlandse gezagdragers en van de Joodse Raad. Ook daarbij weinig nieuws, al kan ik Nanda van der Zee's afkeer van en onbegrip voor het meewerken aan onmenselijk beleid, 'om erger te voorkomen', volop delen.

Des te wonderlijker vind ik de kern van haar betoog: koningin Wilhelmina had niet naar Londen mogen gaan. Dat grensde zelfs aan verraad. Ze had moeten blijven, want dan hadden de nazi's minder makkelijk een burgerlijk bestuur kunnen instellen dat - in de persoon van Seyss-Inquart - de jodenvervolging fanatiek ter hand nam.

Van der Zee bewijst haar stelling niet, en vertelt evenmin wat Wilhelmina had kunnen uitrichten als ze onder Duits bewind gebleven was. Dat doet ze af als een 'academische vraag', terwijl het daar om gaat. Ook vergelijkt ze Wilhelmina's activiteiten in Londen niet met die van andere (ook gevluchte of juist gebleven) staatshoofden. Wel schermt de elders terecht tegen formalistische redeneringen fulminerende schrijfster met artikelen uit de Grondwet en het Landoorlogreglement. Zoals bekend had Hitler groot respect voor (grond)wettelijke voorschriften.

Met alle bewondering voor haar moed om een beladen thema zonder angst voor taboes tegemoet te treden: Nanda van der Zee's poging is pijnlijk mislukt.

Meer over