Minnestrijd in het Muiderslot

De invoering van het studiehuis in de hoogste klassen van havo/vwo bezorgt leraren én leerlingen veel hoofdbrekens...

'HET IS hier behekst, man! Zie je nou wel!' Daryll (16) smijt verontwaardigd zijn gsm'etje op tafel. Hoe moet hij nu met zijn vriend afspreken? Ja, zulke problemen krijg je, in de krochten van een slot waar de geest van de vroegere bewoner - 'drost' te Muiden, zo hebben ze net op school geleerd - nog rondwaart. In zo'n anachronistische omgeving worden dynamische communicatiemiddelen met stomheid geslagen. Net als zij, de leerlingen van 4 vwo van het Amsterdamse Sint-Nicolaaslyceum.

Want tja, Hooft. Die van de P.C., de straat met de dure kledingmerken. Blijkt een oude schrijver te zijn. Z'n toneelstuk Granida gaan ze straks bekijken. Of nou ja, niet de echte Granida, god nee, maar Bliksemminne, de bewerking door een schrijfster die er veel in herkend had 'over verliefdheid en relaties en zo, net als bij ons'. Hij ziet wel, Daryll. Een ochtendje Muiderslot is even wat anders dan school.

Hij woonde trouwens leuk hier, die Hooft. 'Beetje kitscherig, maar wel tof. Geen verkeerde plek.'

Wanneer P.C. Hooft eigenlijk leefde? 'Eh. . ., nou, wel een tijdje terug', denkt Daryll. 'De Middeleeuwen toch? Ja, tijdens de Tachtigjarige Oorlog. Maar jee, wanneer was die?'

De map, schiet Ricardo (15) hem te hulp. Het 'lespakket', daar staat het natuurlijk allemaal in. 'De dichter en toneelschrijver P.C. Hooft leefde van 1581 tot 1647', leest hij plechtig voor. 'In 1601 keert de Amsterdamse koopmanszoon na een lange reis door Frankrijk en Italië terug in Amsterdam. Hij wilde de indrukken die hij daar had opgedaan, gebruiken om de Amsterdamse cultuur een oppepper te geven. 'En daarom schreef hij die Granida', weet Ricardo. 'Het gaat over herders, maar het speelt in Perzië.'

Die informatiemap hadden ze moeten lezen, vertellen ze. Maar daar kwam niet veel van. De leraar was ziek, dus ze kregen hem één dag van tevoren. 'Kijk, acht à negen uur werk kost die map, staat er. Nou, als we er twee uur aan hebben kunnen werken, is het veel.' Zo gaat het vaak, zegt Sander (16), met een zucht. 'We worden dit jaar doodgegooid met lespakketten en infomappen. Maar wanneer we dat allemaal moeten lezen, is een raadsel.'

Die constante stroom 'informatie' die de 4 vwo'ers te verwerken krijgen, is een regelrecht gevolg van de invoering van de vernieuwde tweede fase in de bovenbouw van het voortgezet onderwijs. De gedachte achter deze vernieuwing is dat leerlingen zelfstandig moeten leren werken aan opdrachten, waarbij ze zelf informatie vergaren, lesstof verwerken en oplossingen bedenken. De leraar verandert in deze opzet van talking head in 'instructeur'.

Op het Nicolaaslyceum zijn ze dit jaar in de vierde al begonnen met het 'studiehuis', zoals de nieuwe onderwijsvorm heet; 60 procent van de scholen voor voortgezet onderwijs stelt de invoering uit tot het komende schooljaar. Dat mag van staatssecretaris Adelmund, die constateerde dat veel scholen nog niet klaar waren voor de grote omwenteling.

'We zijn proefkonijnen!' Sander, Ricardo en Daryll stuiven als één man op als ze het woord 'studiehuis' horen. 'Het is een rotzooitje. Je moet je een ongeluk werken.' 'Echt waardeloos', valt een vriend hen bij, die niet met zijn naam in de krant wil. 'Schrijf alsjeblieft op dat dit systeem nu al één grote mislukking is.'

Wat is er mis met het levensechte, 'functionele' leren? Alles, vinden de jongens. Om te beginnen de planning. Die is hopeloos. In een studiewijzer staat wat ze gedurende twee maanden moeten doen voor alle vakken. 'Iedere leraar geeft dan een heleboel op', legt Sander uit. 'Maar ze houden er geen rekening mee dat je voor elk vak opdrachten moet maken. Soms moet je in één week voor Engels, Duits en Nederlands een boek lezen, en er een verslag van maken. En voor andere vakken dan nog een werkstuk. Je raakt ervan in paniek.'

En dan geven de leraren daarnaast nog ander werk op, vertellen ze verontwaardigd. 'Dingen die ze zelf belangrijk vinden. Zo zitten wij met dubbel werk.' Sander wordt er wanhopig van. 'Alles telt', zegt hij somber. 'Je kunt je geen inzinking veroorloven. Je moet overal voldoendes voor halen en blijven zitten mag ook al niet. Vroeger kon je een vak waarvoor je slecht stond, ophalen. Die kans krijg je niet meer.'

Zien ze dan echt geen voordelen in het nieuwe systeem? Ja, gratis internetten, roepen ze alle drie. En je mag vrij door de school rennen. 'Dan zeg je gewoon dat je op weg bent naar de mediatheek.'

Maar de informatievergaring geeft ook praktische problemen. 'Dan is de mediatheek weer eens dicht, of we kunnen niet op internet wegens overbelasting.' En die vrijheid, zeggen ze, is maar schijn. Daryll: 'Je moet jezelf steeds aan het werk zetten en dat is moeilijk. Eigenlijk heb je nooit meer vrij. Je loopt altijd achter.' Vroeger, toen ze hun werk in kleine porties op kregen, waren ze na een paar uur hard werken vrij. Konden ze gaan voetballen. 'Nu moet je in de tussenuren zelfstandig werken. Maar wat komt er nu van werken in een lawaaiige kantine?'

Dat ze in het nieuwe systeem beter worden voorbereid op een latere studie, begrijpen ze ook wel. 'Maar moet dat nú al?', vraagt Ricardo. 'Ik ben pas 15, ik zit niet op de universiteit. Ik moet nog een heleboel leren. Alles wordt per onderwerp behandeld, zoals nu dit toneelstuk. Daarover moeten we een verslag schrijven. Maar ik mis het overzicht. Liever had ik dat de leraar me dat gaf. Als het zo de komende drie jaar doorgaat, heb ik al geen zin meer om straks te gaan studeren.'

Wat doen ze op school, in dit eerste studiehuisjaar, aan historische letterkunde? Daryll, Ricardo en Sander kijken een beetje glazig. 'Je bedoelt verhalen in ouderwets Nederlands? Niet zo veel eigenlijk. Bijna niks.' Karel ende Elegast hebben ze met de hele klas gelezen. Ook oud, 'zo'n beetje uit Hooft's tijd waarschijnlijk'. Het viel mee. 'Best geinig hoor', zegt Daryll. 'Ze sloegen elkaar dood, de koppen rolden over de vloer. Beetje onrealistisch, hè? Het leek wel een kinderboek.'

ALS ALLE negentig vierdeklassers door hun docenten op hun stoelen zijn gedirigeerd, kan het spel in de Ridderzaal van het Muiderslot beginnen. De leerlingen kijken geïmponeerd in het rond; de twee zeventiende-eeuws uitgedoste muzikanten zetten een mooie melodie in. De zaal is muisstil.

Maar dan lijkt het allemaal mis te gaan. Er klinkt geschreeuw uit de hoek waar de kleedkamers moeten zijn. Twee acteurs hebben kennelijk een laaiende ruzie, en zo te horen zijn ze niet van plan vanmiddag met elkaar te spelen. De musici schrikken er ook van. De leerlingen kijken elkaar ontzet aan: hebben zíj dat? Zouden ze naar een beroemd stuk gaan kijken. . . 'Nee, joh, dat hoort erbij', fluistert een meisje tegen haar buurvrouw. Zij wacht af met een kennersglimlach. Het is niet haar eerste toneelstuk. Dit stuk lijkt wel oud, maar het is modern, dus ánders.

Ze krijgt gelijk - het geruzie hoort bij het stuk - maar de verwarring in de zaal blijft. Bliksemminne, geschreven en geregisseerd door Gerda Holzhaus voor muziektheatergroep Theamus, is een spel over liefde, begeerte en overspel, bij de 'loshartige' Hooft en in het promiscuë heden. Het is een toneelstuk in een toneelstuk.

De drie acteurs die de Granida moeten spelen, worden daarbij gehinderd door hun eigen liefdesperikelen. Sacha, de actrice die zowel het herderinnetje Dorilea als de Perzische prinses Granida vertolkt, houdt van Charles, de acteur die de herder Daifilo speelt. Maar Charles ging vreemd, en dat alleen omdat Sacha 'er nog niet aan toe' was om met een jongen naar bed te gaan. Het stuk waarin ze dat maffe herdertje en herderinnetje moeten spelen, rakelt het allemaal weer op, want het gaat over hetzelfde.

De zaal is een beetje onrustig, maar gekeet wordt er niet. De meesten zijn geboeid. Er zit vaart in het stuk: we blijven niet langer dan een minuut of vijf binnen één scène. De acteurs ruziën in de hedendaagse gedeelten adembenemend echt, en spelen hun Granida-scènes met lichte ironie.

De mooie muziek, gecomponeerd door Bob Driessen en door hemzelf op saxofoon en door Jaap Dercksen op piano en blokfluit gespeeld, brengt een sfeer in de Ridderzaal die zelfs de grootste lolbroeken stil krijgt. De muziek voert het publiek ongemerkt van heden naar verleden en ergens daartussen, in het niemandsland van de liefde.

Hoogtepunt is een keiharde rockscène waarin Charles, op een tafel springt en gepassioneerd een striptease uitvoert. 'Hij is goed zeg, die gozer', fluistert een Marokkaanse jongen verbluft. 'Dit is té erg', zegt een meisje dat gegeneerd op haar stoel schuift. Pieter, alias Ostrobas, strijkt tijdens een liefdesliedje even verleidelijk langs haar been; zij besterft het bijna.

De volwassenen in de zaal geven zich zichtbaar gewonnen voor Bliksemminne. Het stuk zit goed in elkaar. De parallellen tussen toen en nu kun je niet missen, maar ze zijn niet te nadrukkelijk aangebracht. Het hele stuk ademt niets didactisch, maar het publiek komt veel te weten over Hooft's gedachtewereld. En belangrijker: je hoort vele strofen onberispelijk uitgesproken Hooft, ook uit zijn minnelyriek, in de 'hertaalde' versie van Martin Reints. De taal is iets gemoderniseerd en daardoor begrijpelijk, maar blijft in zinsbouw, metrum en rijm dicht bij de oorspronkelijke tekst.

Dat de zaal allengs onrustiger wordt, komt doordat de leerlingen voortdurend met elkaar discussiëren over het wanneer en het waarom in het verhaal. 'Nee, nu is ze geen prinses, want ze zegt shit', klinkt het. 'Waarom praat hij nu weer ineens Oud-Nederlands? Ze waren het toch net met elkaar aan het doen?'

Acteur Arie Kant heeft tijdens het spel wel last van de verwarring en het gefluister in de zaal. 'Voor sommige leerlingen is het misschien moeilijk, vooral als ze nooit naar toneel gaan. Ik merk dat het televisiekinderen zijn; ze zien ons alsof we op een scherm bewegen. Daarom raak ik er soms eentje aan: kijk, ik ben een echt mens, met oren.'

Niet alleen jongeren hebben moeite met de codes van fictie en werkelijkheid. 'Laatst kwam er na afloop een woedende lerares op me af. Ze voelde zich bekocht. Waarom moesten we zo gaan ruziën aan het begin? En waarom onderbraken we het toneelstuk steeds? Nu hadden haar leerlingen niets opgestoken van de Granida.'

Bij de tien vrije voorstellingen die Theamus naast zo'n twintig schoolvoorstellingen gaf, hadden ze van onbegrip geen last. 'Je hoeft geen grote kennis van de Renaissance te hebben om dit stuk te begrijpen', zegt Arie Kant. 'Maar een beetje voorbereiding in de klas is wel handig.'

'EEN MOOIE voorstelling. Goed spel, prachtige muziek, maar veel te hoog gegrepen,' is het oordeel van Bert Ydema, leraar Nederlands aan het Nicolaaslyceum, en coördinator van het nieuwe vak culturele en kunstzinnige vorming. Bij dat vak leggen de leerlingen een 'kunstdossier' aan: ze bezoeken tien voorstellingen en schrijven daarover een verslag. 'Bij deze voorstelling is er alles aan gedaan om Hooft's tekst aantrekkelijk te maken', zegt Ydema. 'Maar de Granida blijft een dun verhaaltje. Ik kan het me voorstellen dat het ze weinig zegt. Liefde of min. . . tja, daar liggen ze nog niet wakker van.'

Niettemin vindt hij - net als de mediëvisten Frits van Oostrom en Herman Pleij - dat historische teksten op school niet bestemd zijn voor 'identificerend' lezen. 'Je moet ze ook iets vertellen over de tijd, de ideeën en de moraal. En over de mensen die die teksten lazen of hoorden.' Hij gruwt van vragen als: 'Wat voel je er zelf bij?', en: 'Jij hebt vast ook weleens meegemaakt dat. . .', die hij in ieder lespakket aantreft. 'Bemoei je er niet mee, denk ik dan. En dat zeg ik ook tegen de klas.'

Hij behandelt de Middeleeuwen en de Renaissance traditiegetrouw in de vierde klas. 'Maar alles moet sneller en korter dan vroeger. Je moet selecteren. Bloemlezen ja, maar wel heel summier: één middeleeuwse tekst, en één uit de Renaissance.' Omdat deze voorstelling zich aandiende, werd de zeventiende-eeuwse tekst de Granida.

YDEMA IS niet op voorhand somber over de toekomst van zijn vak. 'Minder teksten, maar wel heel grondig, en op den duur één vak literatuur voor alle talen, daar zie ik wel iets in.' Maar op dit moment is het op zijn school 'een gekkenhuis'. Een programma voor twee maanden opstellen is een krankzinnig werk. 'Je moet je opzet voortdurend bijstellen. Het is te veel, voor leraar en leerling.'

Hij begon dit jaar met 29 leerlingen in 4 vwo. Te veel om individueel te begeleiden. 'In het begin was het een enthousiast groepje, maar nu gooien ze hun kont tegen de krib. Leuk, met z'n allen naar Bliksemminne. Maar na afloop wel een proefwerk over petrarkisme, humanisme en noem maar op, én een recensie schrijven. Voor de andere vakken krijgen ze eenzelfde portie. Ze zijn in één klap van zeven naar dertien vakken gegaan. Echt, ze moeten veel harder werken dan op het oude vwo. We weten gewoon niet precies waar we aan begonnen zijn.'

Na afloop van de voorstelling, in de kelder, wordt het nog heel gezellig. De spelers zitten tussen de leerlingen en beantwoorden hun vragen. De in kostuum gestoken acteurs worden onmiddellijk ontmaskerd als 'televisiemensen'. 'Heb je deze rol via een castingbureau?', vraagt een meisje gretig. 'En ben je weleens op tv geweest? Het groepje vriendinnen kan een verrukt gilletje nauwelijks onderdrukken als blijkt dat Arie Kant een rol heeft gespeeld in hun favoriete soap Goudkust.

De zojuist opgetrokken muur tussen fictie en werkelijkheid wordt in enkele vragen geslecht. 'Heten jullie in het echt ook Pieter, Charles en Sacha?' Nee, ze heten Arie Kant, Paul Disbergen en Ansje Rooijackers, legt de laatste geduldig uit. 'Wij zijn acteurs'.

'Enne. . .' Annebeth overweegt blozend hoe ze de hamvraag - 'Hebben jullie in het echt ook iets met elkaar?' - moet inkleden. 'Hebben jullie elkaar, eh, beter leren kennen?' Ja, zeggen de drie acteurs, dat wel. Dan heeft Annebeth nog één brandende vraag over de volgende aflevering: 'Denk je dat Charles het jou, nou ja Sacha, zal vergeven dat je vreemd ging?'

Ansje Rooijackers glimlacht: 'Dat geloof ik wel. Maar of zij het met hém wil goedmaken, daar moet ik nog even over nadenken.'

Meer over