Ministers nemen verantwoordelijkheid niet meer

‘Ik heb de Tweede Kamer onvolledig en onjuist geïnformeerd. Dat spijt me.’ Wie verwachtte dat deze woorden van minister Verdonk (Vreemdelingenzaken) woensdagavond haar aftreden zouden inluiden, had het mis....

Verdonk erkende dat veel fout is gegaan en mocht blijven. Is dat staatsrechtelijk gezien niet de omgekeerde wereld?

Al jaren wordt over de ministeriële verantwoordelijkheid gediscussieerd. In 1987 moest minister Deetman van Onderwijs verantwoording afleggen over de rampzalig verlopen invoering van de studiefinanciering. Deetman, die alle problemen maandenlang had ontkend, had het moeilijk. Toch overleefde hij een motie van wantrouwen, omdat het parlement in de eerste plaats het ambtenarenapparaat ‘onmacht, onkunde en onwil’ verweet. De minister erkende dat hij ‘de volle politieke verantwoordelijkheid’ droeg voor dat apparaat, maar hij was er volgens de Kamer toch vooral het slachtoffer van geworden.

Een trend was gezet. In de jaren negentig bood een hele serie bewindslieden deemoedig excuses aan voor het falen van hun ondergeschikten, waarna zij vervolgens op hun post mochten blijven. In de woorden van toenmalig minister van Binnenlandse Zaken Klaas de Vries (PvdA), die niet hoefde op te stappen na moord op Pim Fortuyn: ‘Niet aftreden maar optreden’.

SP-leider Jan Marijnissen introduceerde het woord voor deze praktijk: de sorry-democratie. Op voorwaarde dat een minister spijt betuigt en beterschap belooft, verhinderen de regeringspartijen dat een motie van wantrouwen of afkeuring wordt aangenomen.

Recht tegenover die ruime interpretatie van de verantwoordingsregel staat de nauwe interpretatie die bekend is als de Carrington-doctrine: de Britse minister van Buitenlandse Zaken Peter Carrington trad in 1982 af omdat zijn inlichtingendiensten niet op de hoogte waren van de plannen van Argentinië om de Falkland Eilanden aan te vallen. Hij sprak bij zijn vertrek de gevleugelde woorden: ‘It seemed the honourable thing to do’ (‘Het leek me het meest eervol’).

Opmerkelijk zijn de bijdragen die twee hoofdrolspelers in de huidige coalitie speelden in het Nederlandse debat over de verantwoordingsregel. Jozias van Aartsen, thans aanvoerder van het VVD-smaldeel in de Kamer, wees als topambtenaar in 1988 al op de risico’s van een te lankmoedige houding tegenover een minister die wordt geconfronteerd met fouten van zijn ambtenaren. Dit werkt uiteindelijk door in de ambtelijke ethiek, stelde hij: de marge voor ambtenaren om fouten te maken, wordt groter.

In 1999 liet het toenmalige Tweede-Kamerlid Jan Peter Balkenende weten dat hij zich in die lijn goed kon vinden. ‘Het feit dat de sleet zit in de vertrouwensregel impliceert dat er steeds soepeler kan worden omgesprongen met de ministeriële verantwoordelijkheid’, zei hij in een rede voor de Christen Juristen Vereniging. Hij waarschuwde de toenmalige ministers van de paarse coalitie: ‘Het niet of onvoldoende aanvaarden van verantwoordelijkheid is een uiting van tekortschietende morele kwaliteit. Politiek opportunisme begint het staatsrecht te verdringen.’ Dit is exact het verwijt dat de linkse oppositie woensdagavond de regeringspartijen CDA, VVD en D66 maakte. Verdonks houding van ‘niet aftreden maar optreden’, kwam het huidige PvdA-Kamerlid De Vries vanuit de oppositiebankjes opeens raar voor. Hij diende een motie in die tot het aftreden van Verdonk moest leiden. Op hun beurt bleken de kopstukken van CDA en VVD hun eerdere rechtlijnige interpretatie van de verantwoordingsregel plots te zijn vergeten.

De ministeriële verantwoordelijkheid is altijd goed voor een pittig principieel debat. Maar zolang de deelnemers hun principes laten afhangen van hun positie – in de regering of in de oppositie – zal aan de praktijk weinig veranderen.

Meer over