Ministerie van Justitie wilde eind 1993 al een discussie over opsporingsmethoden Roep om duidelijkheid verzandde in gezagslijnen

Bij het ministerie van Justitie en het Openbaar Ministerie (OM) is de discussie over de opsporingsmethoden van de politie de laatste jaren in chaos verzand....

Van onze verslaggever

DEN HAAG

Dit bleek maandag uit de verhoren voor de parlementaire enquêtecommissie opsporingsmethoden. Namens het ministerie werden twee ambtenaren gehoord: mr H. Wooldrik, directeur Politie, en P. van der Beek, projectleider georganiseerde misdaad. Voor het OM kwam de plaatsvervangend hoofdofficier van Rotterdam, mr R. Gerding, aan het woord.

Op het ministerie van Justitie werd al begin 1993 gepraat over het wettelijk regelen van de pro-actieve fase en enkele opsporingsmethoden, bleek uit de verklaring van Wooldrik. Maar door een gebrek aan overleg met het OM en de afwezigheid van duidelijke gezagslijnen is het niet tot normering gekomen, waar wel grote behoefte aan was.

Volgens Wooldrik was er aanvankelijk geen aanleiding om over de noodzaak van wetgeving te discussiëren omdat de Hoge Raad het 'pro-actief rechercheren', het in kaart brengen van een criminele organisatie, had aanvaard.

Begin 1993 kwam de vraag om normen voor dit recherchewerk 'manifest op tafel', omdat duidelijk werd dat het 'eind van het elastiek van het Wetboek van Strafvordering in zicht kwam'. Op het ministerie - ook bij de toenmalige minister Hirsch Ballin - groeide het besef dat bepaalde opsporingsmethoden zulke inbreuken maken op rechten van burgers, dat wetgeving onontkoombaar was.

Toen in december 1993 de IRT-affaire uitbrak, werd de behoefte aan normering pijnlijk duidelijk. 'De eerste conclusie na het ontbinden van het IRT was: hoe is het mogelijk dat op zo'n laag niveau is beslist over zulke ingrijpende opsporingsmethoden', zei Wooldrik.

Dat was voor het OM en het ministerie reden om snel een Centrale Toetsingscommissie (CTC) in het leven te roepen, die zich buigt over bijzondere opsporingsmethoden.

Door gebrek aan helderheid heerste binnen het OM grote onzekerheid over wat wel en wat niet toelaatbaar is. Voor de IRT-affaire werd een minister nauwelijks geïnformeerd over bijzondere opsporingsmethoden. Daarna was dat anders.

Zo werd volgens notulen van de CTC in de zomer van 1994 aan toenmalig minister Kosto van Justitie een zogeheten 'gecontroleerde doorlevering' van negenduizend kilo soft drugs gemeld. Kosto zou rechtstreeks zijn benaderd door de plaatsvervanger van de Haagse procureur-generaal W. Sorgdrager. Kosto ontkent dit desgevraagd. 'Ik herinner me niet zoiets ooit van een waarnemend procureur-generaal te hebben vernomen. Ik heb wel procureurs-generaal gesproken, maar nooit over gecontroleerde doorlevering'.

De chaos bij justitie werd ook duidelijk door de verklaringen van Wooldrik over de Dienst Technisch Operationele Ondersteuning (de 'Sectie Stiekem'), die hulpmiddelen zoals peilzenders aan de politie levert.

In 1993 bleek dat deze dienst op eigen houtje door de politie werd ingeschakeld bij opsporingsmethoden zoals inkijkoperaties. Zelfs de minister van Justitie wist niet 'dat er een valse-sleutelcentrale was', aldus enquêtevoorzitter Van Traa. Inmiddels kan de dienst niet opereren zonder toestemming van een officier van justitie.

Uit de getuigenis van de Rotterdamse plaatsvervangend hoofdofficier Gerding kwam naar voren dat ook in het OM nauwelijks werd gecommuniceerd. In april 1994 werd hij, toen hij na het overlijden van de hoofdofficier tijdelijk de hoogste man op het parket was, niet ingelicht over een Rotterdams onderzoek. Een jaar later bleek dat in die zaak door justitie grote partijen drugs waren doorgelaten. 'Dat was ten onrechte. Ik had dat behoren te weten', zei hij maandag.

De Rotterdamse officier maakt zich zorgen over de 'geduchte knauw' die de geloofwaardigheid van het Openbaar Ministerie heeft gekregen. 'Uit een enquête blijkt dat een meerderheid van de rechters ons niet meer als magistraten beschouwt. Vroeger was het woord van een officier dat met de opsporing alles goed zat, genoeg. Dat is niet langer zo. Dat is buitengewoon ernstig en een te hoge prijs voor de veroordelingen die in grote zaken zijn binnengehaald.'

Meer over