Minister van Schoonheid

Ruim drie jaar was hij Rijksbouwmeester van Nederland, Jo Coenen, Limburgs architect van internationale allure. Nederland is nog altijd niet overal mooi, moet hij toegeven....

Iets even snel doen, dat is er bij Jo Coenen niet bij. Een ritje met de auto vanaf zijn kantoor in het centrum van Maastricht naar 'zijn' wijk Cmique, een paar kilometer hemelsbreed, ontaardt al gauw in een rondleiding van zes uur. Langs zijn vroege projecten de 'vingeroefeningen', die soms haast onzichtbaar of zelfs ondankbaar zijn, maar die wel noodzakelijk zijn voor een goed begrip van zijn meesterstuk op het Cmiqueterrein. Steeds als je denkt: nu moeten we naar rechts, want daar komen we vandaan, zegt hij rustig: 'Nog n naar links.' En voor je het weet gaat het kris kras door de stad of zelfs de grens over naar een poepchique villawijk in het Belgische Lanaken.

De grondigheid is symptomatisch. 'Mensen worden zenuwachtig van mij', zegt Coenen. 'Het ontbreekt mij ook altijd aan geld, omdat bouwprojecten door mijn werkwijze altijd groter uitvallen.' Een gebouw ontstaat nooit 'vanuit zijn buik', vanuit een vluchtige emotie dus, of 'vanuit de computer'. Een gebouw is het resultaat van dagen, weken, maanden minutieus kijken en meten, studeren en handmatig (!) schetsen. Blijven zoeken en wijzigen. Een goed ontwerp is meer dan een gebouw alleen. Het gebouwde, zoals Coenen vaak plechtig zegt, moet aansluiten op de sfeer, de geschiedenis, de structuur van de omgeving. Alles moet kloppen, samenhang hebben.

De collegezaal van de Rijksuniversiteit Limburg (1987) in hartje Maastricht vindt hij een mooi voorbeeld. Als een mol is de zaal onder het bestaande gebouw geschoven en gaat helemaal op in de glooiende omgeving. 'Vanaf een afstandje zie je het gebouw haast niet, ik hoop ook dat je het niet ziet. Alleen, ik kan nooit plaatjes laten zien van: sensationeel!'

Beheersing, duurzaamheid, 'mooi maar niet overdreven' zijn de sleutelwoorden waarmee de in Heerlen geboren Jo Coenen (55) zijn werk typeert. Hij is architect en Rijksbouwmeester, maar bovenal is hij een man met een verhaal dat hij zorgvuldig opbouwt, voor het gemak van zijn toehoorders opdeelt in hoofdstukken of 'lessen', en dat hij na elke omweg even samenvat. Bij de oneliners, waar hij overigens spaarzaam mee is ('Ik hou dus niet van spektakel'), kijkt hij de toehoorder even doordringend aan: vat je hem? Schrijf je hem op?

'Ja, ga hier maar links', zegt hij aangekomen bij een bospad aan de rand van de Belgische villawijk. Het blijkt een oprijlaan naar een nu nog wilde wei. 'We hebben het beekje dat daar liep een beetje vergroot', zegt Coenen eufemistisch, uitkijkend over de kolossale vijver. Even later staat hij met zijn leren instapschoenen tot aan de knieen in de grashalmen. 'Hier komt de villa', fluistert hij met slinkse blik in de ogen. 'Van glas. Dat wordt helemaal vet. Kijk, Rijksbouwmeester zijn is leuk, maar zo'n villa bouwen, dat is teruggaan naar mijn natuur. Dit is de buik van ons werk!'

Sinds deze week heeft zijn kantoor officieel een nieuwe vestiging, in het TPGgebouw in Amsterdam. Vanwege lopende projecten als de nieuwe bibliotheek, die met 27,5 duizend vierkante meter de grootste van Nederland moet worden en het nieuwe theater dat hij samen met Arno Meijs voor Joop van den Ende gaat bouwen. Vanuit zijn kantoren in Maastricht, Berlijn en Luxemburg werkt hij aan projecten in Duitsland, ItaliMilaan en Napels.

Nog zes weken en dan loopt zijn termijn als Rijksbouwmeester af. Coenen heeft er dubbele gevoelens over. Aan de ene kant kan hij bijna niet wachten tot hij weer lekker kan tekenen en roept de firma Coenen om zijn terugkeer. Aan de andere kant is hij is nog lang niet uitgedacht over de stedenbouwkundige en infrastructurele plannen waarmee hij zich bezighield: van de verbreding van de A2 tot de snelle treinverbinding tussen Amsterdam en Groningen, de HSL en de ontwikkeling van de stedelijke knooppunten langs die lijn: Leiden, Den Haag, Rotterdam, Breda. Over enkele van deze laatste steden zal hij zich als een 'Rijksconator van compositie' blijven ontfermen, ook als hij het stokje overgeeft aan Mels Crouwel. 'Eigenlijk kan je er niet mee stoppen. Het Rijksbouwmeesterschap is een levenstaak.'

Er is anders genoeg lelijkheid in gebouwd Nederland, zal ook de Rijksbouwmeester erkennen. De Vinexwijken, waar Coenen zelf als architect altijd heeft geweigerd aan te werken, zijn voor hem een gruwel. 'Te eendimensionaal. Het gaat alleen om wonen, alleen om compositie. Er is geen menging van functies. Dat loopt verkeerd af.'

Coenen is architect/stedenbouwer pur sang. En met zijn specialiteit, het '3D-denken op macroniveau', en zijn enorme verantwoordelijkheidsgevoel, is hij geknipt voor het Rijksbouwmeesterschap. Hij beschrijft zichzelf als een 'ongerust' persoon, iemand die altijd op zijn qui vive is. Zijn bezorgdheid raakt aan allerlei thema's: de groeiende macht van de bouwindustrie en de positie van de architect die in het gedrang is, de kwaliteit van de Nederlandse architectuur en stedenbouw.

Het negentiende eeuwse ambt van Rijksbouwmeester is onder Coenen dan ook grondig veranderd. Vroeger was de Rijksbouwmeester een soort staatsarchitect: die bouwde dus. Tegenwoordig is dat not done, de Rijksbouwmeester is adviseur, aan de Rijksgebouwendienst, de minister van VROM en andere ministeries die zijn betrokken bij architectuur en stedenbouw. Coenen vormde de ambtelijke functie om tot een veel creatiever, slagvaardiger en inhoudelijker functie door de oprichting van het Atelier Rijksbouwmeester in 2001.

Naast de Haagse ambtenaren stelde hij tientallen architecten aan die zich op ontwerpniveau met plannen konden bemoeien. Op deelgebieden zoals landschap riep hij de gespecialiseerde functie van rijksadviseurs in het leven.

'Het is een soort ombudsadres geworden waar iedereen kan aankloppen. Gemeenten die bellen: we moeten een nieuw theater, geef me goede raad, wat is een goede architect? Of ze zeggen: we zijn met dit en dat project bezig, maar hoe moet het nu verder? Iedereen komt langs. Nederland is het enige land met zo'n instituut. In Europa kijken ze met grote ogen toe, daar willen ze het ook op gaan zetten.'

De grote schaal het houdt hem al sinds de TU Eindhoven, waar hij in 1975 afstudeerde, bezig. Zijn zoektocht naar de essentie van goede architectuur bracht hem steeds een niveau verder: van de architectuur (Kamer van Koophandel in Maastricht, Nederlands Architectuurinstituut in Rotterdam) ging het naar de stedenbouw (Vaillantlaan in Den Haag, KNSM-eiland in Amsterdam, Cmique-terrein) naar de planologie.

Een gebouw hoeft niet alleen mooi te zijn. Het moet vooral toegesneden zijn op de locatie. Neem het NAI, een van zijn bekendste werken, een ensemble van gebouwen met elk een eigen functie. De locatie is een gekke hoek op de grens van het rustige Museumpark en een drukke verkeersader. Het lange galerijvormige archief (bijgenaamd de banaan) ligt als een soort geluidswal langs de drukke weg. Erachter in alle rust, met de entree naar het park, ligt de glazen tentoonstellingsdoos, die licht en luchtig in een stalen frame boven een vijver zweeft.

Verbindigen maken, scharnieren, verweven dat is zijn doel. Coenen loopt door de smalle straatjes van Maastricht, de stad waar hij zich vijftien jaar geleden vestigde en waar hij sindsdien zijn stempel op heeft gedrukt. Hij kreeg de opdracht van de Rijksuniversiteit Limburg om een nieuw huisvestingsplan te maken. In plaats van een campus buiten de stad, wilde de universiteit zich in het centrum vestigen, in bestaande gebouwen. Door in elk van de vier zijstraten van een historisch kruispunt, Tongersestraat-Ezelmarkt, een faculteitsgebouw te vestigen, heeft hij een Cambridge-achtige sfeer willen cren.

'Architectuur is net scenarioschrijven', zegt hij terwijl hij een van de zijstraatjes in. 'Hier heb ik de bibliotheek bedacht. Dan dit prachtige steegje langs de rivier. Dit beeld, dat vergeet je als student je leven niet meer. En dan daar het conservatorium. Hoor je die piano. Proef je de sfeer. Dat hoort allemaal bij het ontwerp.'

Maar het gaat niet altijd goed, zegt Coenen. Architectuuropleidingen duren veel te kort. Gebrek aan kennis en verantwoordelijkheidsgevoel zijn de grootste boosdoenders. En de haast waarmee veel gebouwd wordt, is dodelijk. 'In Nederland wordt bijna provisorisch gedacht. Alles moet spannend, anders. Alles moet zappen, scannen, hiphoppen. Maar een gebouw is stabiel, duurzaam. Dat wissel je niet om de vijf jaar in, als een auto. In Berlijn heb ik samen met een andere architect een groot gebouw gemaakt aan de Gendarmemarkt. Daar werd zonder pardon de duurste natuursteen gekozen. Alle details die we hadden bedacht werden gemaakt. Dat is ondenkbaar in Nederland.'

Waarom moet natuur wijken voor industrie? Waarom groeit Nederland vol met lelijke bedrijventerreinen? De realiteit is dat zelfs Coenen na veertig maanden Rijksbouwmeesterschap het antwoord schuldig moet blijven. 'Het is mijn levensles: nergens is persoon die de regie heeft. We zijn er allemaal bij en zeggen allemaal: wat gebeurt er in godsnaam? Ondanks de enorme roep om schoonheid. En wie moet je er op aanspreken? De architect? De ontwikkelaar? De constructeur? De Rijksbouwmeester? De politiek zou moeten beslissen, maar die legt de vraag terug. Dus wie is er dan deskundig op het gebied van het vormgeven van het leven? Want dat is het.'

De oprichting van het Atelier Rijksbouwmeester is zijn bescheiden stap in de goede richting. 'Eigenlijk zou de Rijksbouwmeester zoiets moeten zijn als een minister van het ministerie van Schoonheid. Iemand, die omringd door een grote kring van deskundigen, beslissingsbevoegdheid heeft om te zeggen: dit is mooi, dat te lelijk. Alleen', zegt hij hardopdenkend, 'stel dat de verkeerde persoon op die post komt. Dat zou een groot probleem zijn.'

Meer over