Mingus' muziek leeft voort in de Fez

ELKE donderdagavond voltrekt zich het wonder in Fez, de jazzkelder onder het trendy Time Cafe in Lafayette Street, New York....

BERT VUIJSJE

In 1963 hoorde ik Mingus voor het eerst live, met zijn tentet in de fameuze Village Gate op de hoek van Bleecker en Thompson Street. Van die droomband - Eric Dolphy, Booker Ervin, Richard Williams, Dannie Richmond - is bijna niemand meer in leven. Mingus zelf stierf in 1979, en ook de Village Gate bestaat al lang niet meer. Maar Mingus' muziek leeft in Fez op miraculeuze wijze voort.

De roem van grote dode jazzhelden wordt de laatste decennia genadeloos uitgebaat. Duke Ellingtons zoon Mercer begon er onmiddellijk mee na het overlijden van zijn vader in 1974. De Count Basie-band is al toe aan zijn derde postume leider sinds 1984. Maar de muziek die dat oplevert, varieert van braaf tot beschamend middelmatig.

De Mingus Big Band daarentegen speelt springlevende jazz, net zo vrijgevochten creatief en rafelig afgewerkt als de vertolkingen van de overleden grondlegger. Dat is in belangrijke mate de verdienste van Mingus' weduwe Sue Graham, die vier jaar geleden het concept bedacht: een ruime pool van Newyorkse topmuzikanten waaruit voor slechts één avond per week de wisselende bezetting van de Mingus Big Band wordt geselecteerd.

Dat verklaart vermoedelijk de gretigheid waarmee jonge en oudere jazz-vedetten zoals Randy Brecker, Ryan Kisor, Ronnie Cuber, Robin Eubanks, Gary Bartz en Clarence Penn zich op de composities van Mingus storten - zonder de geur van heiligheid die vaak om Ellington-reconstructies hangt. Sue Graham is de zeldzame kunstenaarswvan de jaren tachtig.

De Blue Note (West 3rd Street) timmert nog steeds aan de weg met de grootste namen: Jimmy Smith, Tania Maria, McCoy Tyner, Ray Brown. Daarvoor moet bij de ingang wel een klein fortuin worden neergeteld. Betaalbaarder en aangenamer zijn intieme clubs zoals Bradley's (University Place), Fat Tuesday's (Third Avenue bij 17th Street) en Small's (West 10th Street), waar de Nederlandse bassist Joris Teepe wel eens te horen is.

Voor de yuppen van de Upper West Side is er de nieuwe club Iridium (West 63rd Street tegenover Lincoln Center), die voornamelijk jonge boppers presenteert: Christian McBride, Nicholas Payton, Don Braden. En de echte chic treft elkaar in de peperdure Tavern on the Green (Central Park bij West 67th Street), waar de Illinois Jacquet Big Band wordt afgewisseld door Mel Tormé.

Van de beroemde jazzkelders van weleer heeft alleen de Village Vanguard (Seventh Avenue South bij 11th Street) alle stormen doorstaan. Max Gordon's weduwe Lorraine heeft gelukkig niets aan het afgetrapte interieur veranderd. In de programmering is ze wel met haar tijd meegegaan: naast Tommy Flanagan, Stanley Turrentine en Slide Hampton ook jonge helden zoals Roy Hargrove, Cyrus Chestnut en Stephen Scott.

Op mijn laatste avond in New York besluit ik Visiones (MacDougal Street) te bezoeken, een club die mij met klem is aanbevolen als sympathiek in alle opzichten. Het wordt een onthutsende ervaring. De zaak zit op zondagavond tjokvol beleefd luisterende bezoekers, maar op het podium stralen de mij onbekende pianist Gust W. Tsilis, tenorist Jed Levy en ex-Mingus-trompettist Jack Walrath een verpletterende ongeïnteresseerdheid uit. Zelden heb ik jazzmusici elkaar met zoveel misprijzen zien aankijken. Ze hebben gelijk, want in elk Nederlands jazzcafé wordt betere muziek gespeeld.

Bert Vuijsje

Meer over