Minderheidstalen in was

In St.-Petersburg ligt een schat opgeslagen van wasrollen en grammofoonplaten met een eeuw oude opnamen van minderheidstalen. De Groningse foneticus dr....

'ER WORDEN nu nog zesduizend talen gesproken in de wereld. Als we niet oppassen, verdwijnt daarvan de helft in de komende vijftig jaar. En met iedere taal die uitsterft, wordt de wereld weer een stukje armer.'

Dr. Tjeerd de Graaf, foneticus aan de faculteit der letteren van de Rijksuniversiteit Groningen zegt het met een mengeling van respect en treurnis in zijn stem. 'We moeten zorgdragen voor het behoud van die talen. We moeten de ontwikkeling tegenhouden dat minderheidstalen nauwelijks meer door kinderen worden gesproken. Want met het verdwijnen van talen sterven oorspronkelijke culturen uit.'

De Graaf weet hoe belangrijk talen zijn voor het doorgronden van de geschiedenis en cultuur van minderheidsvolkeren. Hij heeft in hartje Siberië kinderen van Mennonieten een schakelliedje over de haan, de gans en de koe horen zingen in het 'Plautdietsch' (platduits, dat verwantschap met Groningse dialecten vertoont): Alle lie die wolle waite wou dij hoan zol haite - Tippeltoan zo hait dij hoan, wiedewiedewoan.

Op het eiland Sachalin tussen Japan en de oostelijke uithoek van de vroegere Sovjet-Unie bestudeerde hij de taal van de inmiddels uitgestorven Ainu. En in Californië deed hij onderzoek naar de invloed van de taal van Russische ontdekkingsreizigers in het begin van de vorige eeuw op het gesproken woord van de Kashaya Pomo indianen.

Woorden als chayu (thee) en chaynik (theepot) komen rechtstreeks uit het Russisch, terwijl woorden als kushka (kat), mishuk (zak) en putilka (fles) overduidelijk aan het Russisch - koekosjka, mesjok, boetilka - zijn ontleend.

De Graaf, die negen talen vloeiend spreekt waaronder het Fries, nam deze week aan de universiteit van St.-Petersburg een eredoctoraat in ontvangst voor het conserveren en reconstrueren van de historische taalschat van de Russische Federatie. Eerder dit jaar werd hij benoemd tot ridder in de Orde van de Nederlandse Leeuw. Zijn onderzoek wordt ook in Nederland van groot belang geacht voor het behoud van het culturele erfgoed op het terrein van de ethnologuïstiek.

De Graaf ziet beide onderscheidingen als bewijs van een groeiende belangstelling voor het behoud van minderheidstalen. Zo wordt momenteel in de Verenigde Staten alles in het werk gesteld om de resterende indianentalen vast te leggen. En in St.-Petersburg, het centrum van Russische minderheidstalen, wordt onder meer met geld van de Europese Unie een schat aan gegevens blootgelegd over bijvoorbeeld Siberische talen, het Jiddisch in Oost-Europa en de Duitse kolonistendialecten die in het gebied van de voormalige Sovjet-Unie werden gesproken.

Basis voor het onderzoek in St.-Petersburg is de taalkundige goudmijn die opgeslagen ligt in de Poesjkin Dom, het hoofdgebouw van de Russische Academie van Wetenschappen: tienduizend wasrollen en vijfhonderd wasplaten. Wasrollen zijn een uitvinding van Edison en kunnen worden gezien als voorlopers van de grammofoonplaat. Alle talen die in het vroegere keizerrijk werden gesproken, zijn wel zo'n beetje op de rollen en platen vastgelegd.

Samen met Russische onderzoekers en andere taalkundigen uit Europa legt De Graaf een database van geluidsfragmenten aan. De expertise die de Groningse foneticus in Japan opbouwde met het met behulp van een laserstraal afluisteren van wasrollen, komt in de Poesjkin Dom goed van pas. Want het afspelen van de Edisonrollen op een oude fonograaf houdt te grote risico's in. De rollen lijden onder de slijpende werking van de naald.

Het onderzoek in St.-Petersburg is niet alleen van historisch en cultureel belang, maar levert ook het directe bewijs van de veranderingen die talen ondergaan. Fonetici bestuderen graag de ontwikkeling van een taal of een dialect. Hoe spraken mensen van een bepaalde streek vroeger en hoe spreken ze nu. De onderzoekers kunnen daarbij ruim een eeuw terugkijken. De mogelijkheid om geluid vast te leggen en te bewaren kwam pas in 1877 met Edisons vinding.

De Graaf noemt als voorbeeld van de schatten die in de Poesjkin Dom verborgen liggen opnamen van de Jesup-expeditie in 1897. Deze expeditie van het American Museum of Natural History was op touw gezet door de beroemde antropoloog en taalkundige Franz Boas. Doel was onderzoek naar gelijkenissen tussen de talen van Siberische volken en van oorspronkelijke bewoners van de Amerikaanse Noordwestkust. De geluidsopnamen die tijdens de Jesup-expeditie werden gemaakt in Siberië door de etnologen Waldemar Bogoras en Waldemar Jokhelson, behoren tot de meest unieke van de St.-Petersburg-collectie.

Een ander voorbeeld is het werk van de beroemde linguïst Zjirmoenski die tussen 1927 en 1930 een groot aantal opnames maakte van Duitse kolonisten. In de voormalige Sovjet-Unie hebben twee miljoen etnische Duitsers gewoond, veelal verdrukte minderheden. Nu ze terug kunnen naar het herenigde Duitsland, zijn ze nagenoeg geheel uit de Sovjet-republieken weggetrokken.

Zjirmoenski nam op oude grammofoonplaten veel liedjes en teksten op in Duitse dialecten ten westen van de Oder-Neisse linie, de huidige grens tussen Duitsland en Polen. In samenwerking met het Phonogramm Archiv in Wenen is hier onderzoek naar gedaan. Onder dit project viel ook de studie naar de taal en cultuur van de Siberische Mennonieten, die sterke historische, culturele en taalkundige banden hebben met Nederland.

De Graaf: 'Volgelingen van de in Witmarsum geboren Menno Simonsz trokken in de zestiende eeuw vanuit Friesland, Groningen en Oost-Friesland naar de Weichseldelta in het voormalige Pruisen. In de achttiende eeuw trokken ze op uitnodiging van Katharina de Grote door naar Oekraïne. Daar vandaan werden ze in deze eeuw nog weer eens verspreid over diverse lokaties in Siberië en Kazachstan.'

Hij vergelijkt de diaspora van de Mennonieten met die van de Amish, die vanuit Beieren, Zwitserland en de Elzas naar Pennsylvania zijn geëmigreerd.

Naar het volgende project in St.-Petersburg kijkt De Graaf met zo mogelijk nog meer enthousiasme uit. De geluidsarchieven bevatten belangwekkende data in het Jiddisch, de taal die aan het begin van deze eeuw nog door miljoenen joden in Oost-Europa werd gesproken. 'We hebben in de archieven onder meer een niet eerder gepubliceerd manuscript gevonden van Sofia Magid over 'de ballade in de joodse folklore', compleet met bijbehorende wasrollen.

'Het manuscript dateert uit 1938 en dat maakt duidelijk waarom het toen niet uitgegeven kon worden. Dat boek gaat nu alsnog uitkomen in het kader van het project Stemmen van de Shtetl, Verleden en Heden van het Jiddisch in Rusland. We hopen daarbij op financiële steun uit Brussel.'

Wio Joustra

Meer over