'Mijn vrouw wil ineens weer kamperen'

null Beeld Robin de Puy
Beeld Robin de Puy

Campings zijn vreemd. Mensen neigen van nature naar comfort. Onze meest primaire behoefte is, na overleven en voortplanten, toch echt een eigen badkamer met natuurstenen vloer en infraroodcabine. Met een pleerol in de hand door de modder naar een gemeenschappelijke poepplaats banjeren, dat is iets waartoe de manschappen van Attila de Hun veroordeeld waren (en dan nog alleen tijdens militaire campagnes), maar nu hoeft dat echt niet meer.

Toch verlaten hele volksstammen elke zomer weer de geborgenheid van hun stenen muren en hun vloerverwarming om een lapje grond te bezetten dat hermetisch van de buren is afgescheiden door niets dan pure verbeelding. Het is een kwestie van omdenken. Na een uurtje kamperen kun je op een paar meter van je buurman zitten en toch elkaars hele bestaan niet eens opmerken. Dit noemen wij in de socio-psychologie: campingficatie.

Wie jong en arm is zal het natuurlijk de reet roesten. Toen ik elke zomer zonder plan de wereld in trok, tot de tanden gewapend met louter domheid en blind optimisme, zag ik er geen probleem in om mijn tentje op te zetten op een steile helling naast een bouwterrein, op allemaal scherpe stenen waar de combinatie van wc-papier en poeplucht een volwassen mens toch enige aarzeling zou bezorgen. Ik was allang blij dat ik eindelijk mocht gaan en staan waar ik wou, dat hoefde niet direct het Hyatt Regency Hotel te wezen. Het meest luxueuze waarop ik mezelf trakteerde was af en toe een heuse camping. Och, het genot van een min of meer vlakke ondergrond! Dan rolde ik lekker een nachtje niet naar één hoek van de tent zodat ik strak ingebakerd in het tentdoek wakker werd. Dus als ik eens knettergek veel geld wou uitgeven aan uitzinnige verwennerij zette ik mijn tentje in de kokende zon van een jongerencamping om eens flink horizontaal te liggen. Maar toen al had ik last van het schrijnende gebrek aan privacy. Voornamelijk vanwege de gehorigheid, en dan in het bijzonder dat er in andere tentjes geneukt werd en niet in de mijne.

Enfin: eind goed, al goed. Ik slaap op vakantie in echte bedden, omringd door stenen muren, en de kinderen spelen bij zonsondergang op schone stranden.

En nu wil mijn vrouw dus weer eens kamperen.

Waarom, vrouwmens? Waarom?

Kijk, kampers, die snap ik nog. Living the zigeuner-life. Ergens neerstrijken, kijken wat er te snaaien valt, en verkassen als ze met hooivorken en fakkels komen aanzetten, dat is groovy. Maar zo zijn wij niet. Toch? Toch? Toegegeven, de campings van nu zijn anders dan de veredelde tentenkampen van mijn jeugd. We kunnen een volledig gemeubileerde joert huren, reizen per huifkar, en de hele dag Spritzer-Aperols lurken bij de campingbar terwijl de kinderen leren abseilen vanaf hoge kliffen en parapenten vanaf nog hogere. Maar dat is niet wat ze bedoelt. Zij denkt echt weer aan tentje opzetten aan de oever van een riviertje (waarbij ik meteen denk: muggen), onze luchtbedjes opblazen en gasstelletje aan de praat krijgen en dan een Goed Boek lezen. Of zo.

Dat soort vrijheden, legde ik haar geduldig uit, vind je alleen nog in landen met burgeroorlogen of poolnachten. Landen waar beschaving heerst daarentegen, die verwijderen je tentenkampje en bellen jeugdzorg. Hier, kijk nou: twee weken Alanya all-in 400 euro!

t.vanluyn@volkskrant.nl

Meer over