‘Mijn vader zei: poppie, pas op. Hij gaat niet met je trouwen, want je moeder is zwart’

Half creools, half Hindoestaans werd Norine Ramsahai nooit helemaal geaccepteerd in Suriname. Vanwaar die vooroordelen onder beide bevolkingsgroepen? Samen met de Volkskrant pluist Ramsahai haar – en onze – geschiedenis uit.

Ianthe SahadatElsbeth Stoker en Fleur de Weerd
Norine Ramsahai Beeld Martine Kamara
Norine RamsahaiBeeld Martine Kamara

Twee jaar voor zijn dood wist Jacob Ramsahai nog zeker dat zijn as in India uitgestrooid moest worden. Het was het jaar 2000 en de 89-jarige man bezocht voor het eerst het land dat zijn ouders, landarbeiders uit een arm dorpje, in 1914 verlieten. Hij was toen 4 jaar oud.

Dat eenmalige bezoek aan zijn geboorteland legde de VPRO vast in de documentaire Ramsahai’s reis. De film volgt de oude man – veelal zwijgend en diep geëmotioneerd – begeleid door vier van zijn kinderen op zijn reis door India. Als Jacob vanuit zijn rolstoel over de Ganges uitkijkt, beseft hij: daar in die heilige rivier zou mijn as na mijn overlijden moeten belanden.

Tijdens die reis voelde haar vader heel sterk waar hij vandaan kwam, vertelt dochter Norine Ramsahai (75) in de woonkamer van haar zoon in Diemen. Norine was ook mee naar India. Maar tegelijkertijd was het volgens haar toch ook weer niet zijn thuis, want Jacob groeide op in Suriname en kwam rond zijn 60ste naar Nederland.

Een mens kan wispelturig worden over zijn wensen voor een laatste rustplaats als hij niet goed weet welk land hij ‘thuis’ moet noemen. Op zijn sterfbed fluisterde Jacob dan ook in Norines oor: ‘Poppie, ik wil niet terug naar India. Daar ben ik een zwerver, ik heb daar niemand.’

Zodra haar vader in 2002 zijn laatste adem uitblies, schreeuwde Norine het uit van verdriet . Het was alsof ze naast haar eigen verlies ook zijn pijn voelde.

De documentaire over haar vader kan Norine niet goed terugkijken. Dan moet ze direct huilen. Ze weet nog goed hoe emotioneel de reis naar India voor haar vader was geweest. Na thuiskomst bleef hij drie weken in bed in zijn flatje in Amsterdam-Noord, zonder te eten en te praten.

Waar hoor ik thuis?

De vraag waar je bij hoort is geen eenvoudige voor een migrant; de keuze tussen geboren, getogen, geaard en gestorven niet zomaar gemaakt.

Eigenlijk vond Norine dat haar ouders’ as terug moest naar Suriname. ‘Daar zijn ze opgegroeid, daar horen ze.’ De as van moeder Cora stond al sinds 1986 in een urn in Amsterdam, om ooit samen te worden uitgestrooid met die van haar man. Het werd uiteindelijk de Noordzee voor beide ouders.

Zelf is Norine resoluut: haar laatste rustplek is in Nederland. Dat is van alle landen toch het meest ‘haar’ land. Al zijn er wel veel maren.

‘Voelt u zich een Nederlandse?’, vroeg een kennis haar laatst. De vraag deed haar toch aarzelen. Zien de Nederlanders ons wel als Nederlanders?, vroeg ze zich af. Een Amsterdamse is ze wel. In die stad woont ze nu al meer dan een halve eeuw.

Norine is hindoe, maar van huis uit EBG opgevoed, vertelt ze. EBG staat voor de Evangelische Broeder Gemeente, een protestants-christelijke substroming die veel zendingswerk in Suriname deed. Ze begint te zingen. ‘Daar ruist langs de wolken een lieflijke naam, die hemel en aarde verenigt tezaam.’ Mooie liedjes, vindt Norine. Ze kent ze allemaal nog.

Meer nog dan hindoe voelt Norine zich Hindoestaans, wat verwijst naar de geografische herkomst van de bevolkingsgroep, naar Hindostan, het land aan de Indus, oftewel: India. Eigenlijk is ze ‘een half Hindoestaanse tot hindoe bekeerde’.

Dat ‘half’ bij het woordje Hindoestaans is in deze omschrijving nogal bepalend geweest in haar leven. Want ‘ze’, de Hindoestanen, hebben haar en haar moeder nooit helemaal geaccepteerd. ‘We waren te zwart’, zegt Norine hoofdschuddend. Haar moeder Cora was namelijk niet Hindoestaans, maar een creoolse vrouw van kleur, vertelt Norine. ‘En mijn oma was pikzwart.’

Hoewel Suriname het land is waar ze is geboren en tot haar 19de woonde, zit het land haar niet meer als gegoten. Het is die typische migrantenervaring van te lang weg om ooit echt terug te kunnen zijn. Daarnaast voelde ze zich er door haar gemengde afkomst nogal eens gediscrimineerd.

Norine (staand, vierde van links) en haar familie thuis in Amsterdam, ca. 1981. Beeld Ines Vansteenkiste-Muylle
Norine (staand, vierde van links) en haar familie thuis in Amsterdam, ca. 1981.Beeld Ines Vansteenkiste-Muylle

De Surinaamse bevolking bestaat uit meerdere etnische groepen waarvan geen een de absolute meerderheid vormt. Een klein deel van Surinames inwoners is nooit per schip naar het land gekomen, maar leefde er al voordat Suriname Suriname werd: de inheemse bevolking. Aan de kuststrook wonen de Kalina (ook Caraïben genoemd) en Lokono (ook Arowakken genoemd), meer in het binnenland de Akoerio, Trio en Wayana.

De rest van de bevolking is opgebouwd uit ‘import’ vanaf de 17de eeuw. In 1650 plaatste de Engelsman Francis Willoughby een vlag op Surinaamse bodem en riep het land, naar Europees gebruik indertijd, tot Brits domein uit. Nog geen twintig jaar later viel de kolonie in Nederlandse handen.

Vanaf het moment van kolonisatie voerden de Europeanen Afrikanen in als slaven om voor hen te werken op de plantages. Bevolkingsgroepen die het in Europa niet makkelijk hadden vanwege hun minderheidsgeloof in het land waar ze leefden, zoals Franse hugenoten en Portugese joden, trokken vanaf de 17de eeuw naar Suriname (en andere koloniën) om zich daar (tijdelijk) te vestigen. Ook Nederlanders en Duitsers maakten de oversteek.

De Europeanen (klein in getal) hebben zich in de loop der eeuwen vermengd met de mensen die in slavernij leefden (groot in getal). Suriname telt een grote groep nazaten van deze gemêleerde groep, creolen of Afro-Surinamers genoemd. Deze groep Surinamers leeft van alle bevolkingsgroepen het minst ‘afgezonderd’. Veel meer geïsoleerd leven de nazaten van de tot slaaf gemaakte Afrikaanse mensen die de plantages wisten te ontvluchten en zich diep in het binnenland terugtrokken: de marrons.

Sinds het eind van de 19de eeuw telt Suriname ook veel Javanen (zo’n 14 procent) en Hindoestanen (de groep waartoe Norines vader behoorde), die bijna 30 procent van het huidige inwonersaantal vormen – beide groepen werden als contractarbeiders naar de kolonie verscheept door de Nederlanders. Bevolkingsgroepen die meestal vrijwillig naar Suriname migreerden zijn Chinezen, Libanezen, Brazilianen en mensen uit de naastgelegen Guyana’s. Al deze groepen, ook veel Javanen en Hindoestanen, leven meer op zichzelf. En dat heeft alles met de koloniale geschiedenis te maken.

Van India naar Suriname

Na de afschaffing van de slavernij kampten de plantage-eigenaren met een probleem: wie moesten er nog op de plantages werken nu de vrijgekomen mensen niet voor hun oude eigenaren wilden werken en vaak naar de stad trokken?

De Engelsen, die de slavenhandel en slavernij eerder afschaften dan de Nederlanders, leken een oplossing te hebben gevonden: al sinds 1838 ‘importeerden’ zij, met name naar hun Caribische koloniën Guyana en Trinidad, met succes goedkope arbeidskrachten uit een andere kolonie in Azië: Brits-Indië.

In 1872 ondertekenden de Britse koningin Victoria en koning Willem III van Nederland een overeenkomst die Nederland het recht gaf om ook arbeidskrachten in Brits-Indië te werven voor het veldwerk op de Surinaamse plantages. De naam van de overeenkomst: het ‘koelietraktaat’. In die tijd gebruikten Europeanen voor de Aziatische arbeiders het woord ‘koelie’, wat lastdrager betekende en tegenwoordig als scheldwoord wordt gebruikt.

Een jaar later arriveerde na een reis van 99 dagen het zeilschip Lalla Rookh met de eerste 410 Brits-Indiërs. Elf van hen stierven tijdens de reis. Er zouden tot 1916 nog 63 schepen volgen. In totaal kwamen ruim 34 duizend Hindoestaanse contractarbeiders en kinderen naar Suriname.

In het Koloniaal Jaarverslag van 1876 noteert men content: ‘De arbeidszin bij de koelies heeft zich meer en meer ontwikkeld, zodat men thans mag aannemen dat vele der grootste plantages tegenwoordig haar bestaan aan die immigratie te danken hebben.’

De meeste Hindoestaanse migranten kwamen uit de provincies Uttar Pradesh, Bihar en Bengalen: gebieden die met ernstige armoede en voedseltekorten kampten omdat de Britse overheerser de agrarische productie in die regio’s in dienst stelde van het moederland.

Over de werving, de reis en het werk op de plantages van de contractarbeiders zijn vooral verhalen bekend die via mondelinge overlevering zijn doorverteld in families. Een van de weinige migranten van wie na zijn dood een dagboek is gepubliceerd is Munshi Rahman Khan, een onderwijzer die in 1898, op zijn 24ste, naar Suriname kwam.

Rahman noteerde hoe hij werd misleid, gevangen genomen en ontvoerd naar Suriname. Het is goed mogelijk dat de wervingspraktijken niet altijd even integer plaatsvonden; elke tussenpersoon in de wervingslijn kreeg betaald naar rato van aangeleverde contractanten. Mede daarom noemde de Britse historicus Hugh Tinker in 1974 de Brits-Indische contractarbeid ‘een nieuw systeem van slavernij’.

Ook was de sterfte op de plantages hoog. Bijna een op de zes migranten stierf binnen vijf jaar na aankomst in Suriname wegens uitputting op de plantages.

De ouders van Norine Ramsahai. Beeld Ines Vansteenkiste-Muylle
De ouders van Norine Ramsahai.Beeld Ines Vansteenkiste-Muylle

Een van de Brits-Indische migranten was de 4-jarige Jacob – toen nog Ghaseeta – die later de vader van Norine zou worden. Hij kwam na een bootreis van 41 dagen in juni 1914 in Suriname aan met zijn ouders en broertje van 1. Later zou hij zijn kinderen vertellen hoe mensen stierven tijdens de bootreis en de lijken in zee werden gegooid.

Het gezin kwam terecht op plantage Dankbaarheid, een koffie- en cacaoplantage. Jacobs vader Persadi – ‘huidskleur: bijna zwart’, volgens zijn in het archief bewaard gebleven contract met nummer QQ/870 – werd nog voor zijn vijfjarige contract afliep veroordeeld voor diefstal en ‘verzetsactiviteiten’. Hij belandde voor acht maanden in de gevangenis.

Tijdens Persadi’s afwezigheid stierf zijn vrouw op 26-jarige leeftijd aan de Spaanse griep. In de in 2000 gemaakte documentaire vertelt Jacob hoe hij destijds bij zijn moeder Durga op schoot zat toen ze stierf: ‘Ik snapte het niet, ik dacht dat mammie sliep.’

Jacob zag zijn vader nog slechts eenmaal, op afstand. Er stond een politieman naast hem. Van een afstandje riep hij naar zijn zoon: ‘Ek dhin bent hoiga’ (‘Eens zien we elkaar weer’). Toen voerden de politiemannen hem weg.

In een poging te achterhalen wat er destijds precies met haar opa is gebeurd, vroeg Norine zijn vonnis op bij het Hof van Justitie in Suriname. Ze kreeg toestemming om het te komen zoeken tussen de meterslange rijen mappen in het nog niet ontsloten deel van het archief. Zelfs de hulp van een toegewijde archiefmedewerker mocht niet baten: ze vonden het document niet.

Persadi moest het laatste jaar van zijn contractperiode nog afronden, wat hij deed op rubber- en cacaoplantage Belwaarde. Na dat jaar is hij wegens werkweigering teruggestuurd naar India. Norine vindt dat een schokkend gegeven. Hoofdschuddend: ‘Papa heeft zijn vader nooit meer gezien.’

Kort na het overlijden van hun moeder werden de drie kinderen Ramsahai (in Suriname was nog een dochtertje geboren) ‘ter verzorging afgestaan’ aan het kindertehuis Huis van Geluk (Sukh Dhaam) van de Evangelische Broeder Gemeente op de plantage Alkmaar. Het in 1916 opgerichte tehuis was destijds in handen van het Deens-Nederlandse echtpaar Legêne. In het tehuis werd Ghaseeta gedoopt, voortaan was hij christelijk. Hij kreeg ook een bijpassende christelijke naam: Jacob.

Hoe het zijn broertje en zusje precies is vergaan weet Norine niet, wel weet ze dat ze allebei jong stierven, tot verdriet van Jacob. Uit het archief blijkt dat het zusje, Mangeri, op 10-jarige leeftijd overleed. Waaraan wordt niet vermeld. Ook uit het archief: broertje Thakur stierf op zijn 17de. ‘Volgens mijn vader was hij uit een boom gevallen.’

Zending en handel waren nauw verweven. Zoals de meeste jongens uit het tehuis mocht Jacob een ambacht gaan leren bij een van de winkels van de EBG-firma Kersten – toen het bekendste warenhuis van Suriname. Hij ging aan de slag als etaleur. De etalages richtte hij bijvoorbeeld in met ‘afdruiprekken, tafelmatjes, vleeschvorken, kopjes en schotels – allen Hollandsche modellen en Hollandsch fabricaat’, zoals een reclame in het nieuwsblad voor Suriname uit 1937 meldde.

Een Hindoestaan genaamd Jacob

Aan moederszijde stamt Norine af van een witte man: een Nederlandse militair uit Apeldoorn met de naam Hendrik. Deze betovergrootopa van Norine – bruine haren, blauwe ogen en ‘een ovaal aangezigt’ – vertrok op zijn 21ste, in 1839, naar Suriname.

Daar werd Hendrik aangenomen bij het Korps Jagers, wat betekende dat hij moest jagen op ‘weglopers’, tot slaaf gemaakte mensen die de plantages ontvlucht waren – indertijd een groot ‘probleem’ voor plantage-eigenaren. Het Korps bestond uit bewapende mannen in witte broeken, hooggeknoopte jasjes, flinke hoeden en keurige schoenen – een opmerkelijk tenue om het tropische regenwoud mee te betreden.

Deze Hendrik werd, zoals veel militairen, verliefd op een meisje met een bruine huid. Zelf was het meisje vrij, maar haar oma stond in 1782 nog op de lijst van bezittingen van een Duitse koopman in Paramaribo, zo is te lezen in een archiefstuk dat stamboomonderzoeker Ank de Vogel-Muntslag op verzoek van de Volkskrant heeft gevonden.

Een paar generaties later kwam in 1916 Cora Agata Elskamp, de moeder van Norine, ter wereld. Twee jaar later stierf Cora’s moeder, ze was pas 18 jaar oud. Cora’s vader bracht haar onder in het huis van Lina ‘Mapeetje’ Tempels en haar zuster, een naaister die behalve Cora nog acht andere pleegkinderen grootbracht.

Cora leerde het ambacht van haar pleegmoeder en kwam te werken als naaister en coupeuse in een van de winkels van Kersten, waar ze op een dag een aardige jongeman ontmoette. Hij zag eruit als een Hindoestaan, maar zijn naam was Jacob.

De christelijke Jacob diende een christelijk meisje te huwen. Het werd de lieve, ietwat verlegen, Afro-Surinaamse Cora, net als hijzelf grootgebracht in de pleegzorg. Ze trouwden in 1937 en kregen samen tien kinderen. Eleonore Sewmintra Louise – roepnaam Norine – was in 1946 nummer zes.

Norines vader in een boek dat ze raadpleegde om haar familiegeschiedenis te achterhalen. Beeld Ines Vansteenkiste-Muylle
Norines vader in een boek dat ze raadpleegde om haar familiegeschiedenis te achterhalen.Beeld Ines Vansteenkiste-Muylle

Norines eigen liefdesleven ging niet bepaald van een leien dakje. Haar gemengde afkomst speelde daarin een treurige rol. Ze groeide op in de jaren veertig en vijftig van de 20ste eeuw in Paramaribo: Hindoestanen en Afro-Surinamers leefden tamelijk gescheiden van elkaar.

Het gezin Ramsahai woonde in een grotendeels Afro-Surinaamse wijk, vertelt Norine. Een speling van het lot wil dat het een van de weinige Hindoestaanse jongens in de buurt is die zijn oog op Norine laat vallen. Stanley Kanhai is een jongen met dik zwart haar, een beginnend snorretje, een snelle wagen en een meer dan vlotte babbel. Er volgden afspraakjes, autoritjes in het vroege tropendonker en heimelijke kusjes aan de waterkant. Hij zou haar trouwen, fluisterde hij in haar oor.

Dat Stanley een ‘volbloed’ Hindoestaan was en Norine half Afro-Surinaams negeerde ze voor het gemak. Norines vader was dan wel buiten de Hindoestaanse gemeenschap grootgebracht, maar hij wist hoe het eraan toeging en waarschuwde zijn dochter: ‘Poppie, pas op. Hij gaat niet met je trouwen, want je moeder is zwart. Hij zal je verdriet doen.’ Maar koppig en eigenwijs als pubers zijn bleef Norine haar liefje zien. Het bleef niet bij ‘kusjes’ en zo kwam het dat Norine op 19-jarige leeftijd in verwachting raakte.

Zij was blij, maar de reactie van Stanley was anders dan ze hoopte. Hij liet niets meer van zich horen. De jongen bleek al uitgehuwelijkt en trouwde met het Hindoestaanse meisje aan wie hij gekoppeld was.

Norine werd door haar ouders naar haar zus in Nederland gestuurd. Op de februaridag in 1966 dat Nancy Sinatra met These boots are made for walking de hitlijsten aanvoerde, zat de zwangere Norine ‘weggejaagd en met liefdesverdriet’ in het vliegtuig. Na de gehele vlucht onafgebroken te hebben gehuild, zette ze in ‘coltrui, nylons en lang ondergoed onder een mantelpak’ bij een gevoelstemperatuur van 6 graden Celsius voor het eerst voet op Nederlandse bodem.

Ze trok in bij haar oudste zus, Claudette, een lerares, die enige jaren eerder naar Nederland was geëmigreerd en met haar man in een flat in Amsterdam woonde. Toen de zwangerschap bijna volbracht was, werd Norine met pijn afgevoerd naar het ziekenhuis. Daar beviel ze van een jongetje dat dood ter wereld kwam.

Norine bestreed haar verdriet door hard te werken: ze haalde een diploma aan de huishoudschool en besloot zelf les te gaan geven. Toen ze in 1969 voor een familiebezoek weer in Suriname was, liep ze haar ex-geliefde die haar in de steek liet, de inmiddels getrouwde Stanley Kanhai, tegen het lijf. Ze besloot hem te negeren, wat de vlam bij Stanley juist deed oplaaien. Hij verliet zijn vrouw en reisde met Norine mee naar Nederland.

Een vergissing mag ze het niet noemen, want ze heeft vijf geweldige kinderen met hem gekregen. Maar een succes is hun relatie nooit geweest.

‘Die man’, zoals ze de vader van haar kinderen voornamelijk noemt, en Norine zijn desalniettemin 30 jaar samen geweest. Hij werkte als muziekproducer. Norine vat hun relatie samen: we kregen vijf kinderen, hij was altijd van huis en ging vreemd.

Toch was zij het die meteen naar het ziekenhuis kwam nadat hij een beroerte had gehad; het is toch de vader van haar kinderen. Dat deed ze overigens samen met zijn Hindoestaanse ex-vrouw. Ook zij woont inmiddels in Amsterdam en ze is al jarenlang Norines beste vriendin. Het kan verkeren.

Op bezoek bij tante Ilse

Norine reist nog regelmatig naar Suriname. Zodra ze voet op Surinaamse bodem zet, krijgt ze bericht: kom eten, de heriheri staat klaar. Het zijn de nichten, tantes en oudtantes met wie ze bijna wekelijks vanuit Amsterdam belt. Het is veelzeggend, vindt Norine, hoe welkom zij en haar kinderen zijn bij al die gezinnen. Ze is ervan overtuigd dat de Afro-Surinaamse mensen in Suriname nu van alle etnische groepen het meest openstaan voor de andere bevolkingsgroepen die samen Suriname vormen.

Daar is de 65-jarige Ilse Schet, de tori-vrouw oftewel verhalenverteller van de familie, het mee eens. Ilse is een tante van Norine: Norines oma is een halfzus van haar vader – beiden leefden op Rorac, een in onbruik geraakte plantage waar gevluchte, tot slaaf gemaakte mensen en hun nazaten woonden voor en ook na de afschaffing van de slavernij. Ze noemden zichzelf baka busi nengre, ‘negers achter het bos’, een geuzennaam.

Tante Ilse woont met haar gezin in het voormalige bauxietmijndorpje Paranam, op een uur rijden van Paramaribo.

Onmin tussen Afro-Surinamers en Hindoestanen wuift ze lachend weg. Ze wijst op haar donkere huid: ‘Wij zijn niet moeilijk, het zijn de Hindoestanen die lastig doen.’ Dat de zwarte Cora met de Brits-Indische vader van Norine trouwde, zou nu in elk geval geen wenkbrauw meer doen fronsen. Indertijd kon het vooral omdat ze allebei lid waren van de Evangelische Broeder Gemeenschap en omdat Cora volgens Ilse ‘licht genoeg was’, en niet ‘pikzwart’, zoals Ilses eigen vader. Lachend: ‘Ze kon een beetje doorgaan voor Hindoestaanse.’

Dat Norine als enige van haar broers en zussen ‘een Hindoestaan wilde zijn’, is haar duur komen te staan, denkt tante Ilse. ‘Ze is nooit gelukkig geweest met die man, maar ze is toch jaren met hem gebleven. Zo koppig is Norine.’

Norines tante Ilse Schet. Beeld Ines Vansteenkiste-Muylle
Norines tante Ilse Schet.Beeld Ines Vansteenkiste-Muylle

Dat Hindoestanen zich vroeger ‘verheven’ voelden boven Afro-Surinamers heeft een historische oorzaak. Van meet af aan kregen Hindoestanen van het koloniale bewind in Suriname namelijk een speciale positie in de maatschappij, legt de Surinaamse historica Mildred Caprino uit. Na hun contractperiodes kregen zij grond, geld en gereedschap als ze besloten te blijven. Op de plantages zetten veel Hindoestanen als ambachtslieden eigen bedrijfjes op. Dit ondernemerschap werd onder Afro-Surinamers juist ontmoedigd. Hen werd ingeprent dat ze goed waren in fysieke arbeid, maar nooit hadden geleerd met geld om te gaan.

Aan het begin van de 20ste eeuw ging het economisch niet goed in Suriname. Veel zwarte mannen konden alleen werk vinden ver van de stad, weg van hun gezinnen: in de balata (een soort rubber), houtkap, goudwinning en bauxiet (het product waar de Amerikaanse vliegtuigindustrie met name tijdens de oorlogsjaren op dreef).

Ondertussen werd het beeld van de zwarte mens als cognitief minderwaardig stevig verankerd in de hoofden van elke Surinamer: door kinderen van verschillende komaf in de klas anders te bejegenen en bij herhaling duidelijk te maken dat zwarte mensen niet in staat zouden zijn tot dezelfde intellectuele prestaties of ondernemerschap als witte of gekleurde mensen.

Het was in het belang van het koloniaal bestuur om de verschillende etnische groepen in de kolonie tegen elkaar uit te spelen: te veel eenheid kon leiden tot een goed georganiseerde opstand. Het is het Nederlandse bewind gelukt om de Hindoestanen ‘te vriend’ te houden, zij hebben zich niet zoals veel voormalig tot slaaf gemaakte mensen en hun nazaten afgezet tegen ‘hun meesters’. En hoewel het absoluut is afgenomen, zegt Caprino, zeggen sommige Hindoestaanse ouders nog altijd tegen hun kroost: kom niet thuis met een donkere man of vrouw. Een weerbarstige realiteit die Norine aan den lijve ondervond.

Vanuit intellectuele hoek worden in ieder geval dappere pogingen gedaan om de onderlinge verscheidenheid juist te vieren. In 1957 schreef de Surinaamse rechtsgeleerde en filosoof Jnan Hansdew Adhin een essay met een titel die door diverse politici indertijd tot slogan van Suriname werd verheven: ‘Eenheid in verscheidenheid’.

De Afro-Surinaamse dichter Trefossa, die een paar jaar later een deel van het Surinaamse volkslied schreef, nam de gedachte over: ‘God zij met ons Suriname, hij verheff’ ons heerlijk land. Hoe wij hier ook samen kwamen, aan zijn grond zijn wij verpand.’

En in de bekende Surinaamse speelfilm van Pim de la Parra uit 1976, Wan Pipel (Eén Volk), staan de problemen van een gemengd Afro-Surinaams-Hindoestaans koppel centraal. Elk jaar zendt de staatsomroep de film uit op Srefidensi, de Surinaamse onafhankelijkheidsdag, als was het om het volk eraan te herinneren dat die etnische onmin met het verdwijnen van de koloniale overheersing ook ter ziele behoort te zijn gegaan.

Allemaal familie, niet door bloed of religie, wel door grond – dat is Suriname. De smeltkroes als uitgangspunt. Een gemixte samenleving die niet per se harmonieus functioneert, laat staan idyllisch is, maar die wel werkt, als pragmatisch concept. Een gegeven waarmee je het doet.

‘Hindi én nengre, niet te moeilijk doen’

Norine gaat, mits het coronavirus niet te veel roet in het eten gooit, elk jaar terug naar Suriname, waar ze dan danst met de mannen en vrouwen van haar Afro-Surinaamse ‘grootfamilie’, zoals haar 101-jarige oudtante, oma Malina. Dan neemt ze deel aan winti-rituelen, eert ze haar voorouders – ‘alles erop en eraan.’

In 2014 besloot Norine dat het tijd is om ‘een puja te geven’ voor haar voorouders. Een puja is een hindoeïstisch ritueel. Het was dat jaar precies honderd jaar geleden dat haar Brits-Indische opa en oma met hun kleine kinderen in Suriname aankwamen.

Het was niet eenvoudig om een priester en publiek voor het ritueel te regelen, vertelt ze aan tafel bij haar zoon in Diemen. Fluisterend: ‘Mijn voorouders hebben geen ceremonie gehad toen ze stierven, dus denken ze in Suriname dat hun geesten nog ronddwalen. Iedereen was bang.’

Gelukkig is haar eigen priester uit Den Haag bereid mee te reizen naar Suriname, waar ze aan de oever van de rivier de Commewijne bij plantage Belwaarde (daar waar haar opa moest werken) een ceremonie houden. Ze laat een filmpje zien op haar laptop en verontschuldigt zich: ‘Ik had ook een koe gevraagd, zelfs die koe is niet gekomen.’

Dat van Hindoestanen versus creolen is steeds meer iets van vroeger, zegt ze, het is niet meer zoals toen. Flaneert ze nu in zomerjurk door de straten van Paramaribo dan zeggen de mannen: ‘Je gezicht is Hindoestaans, maar je achterwerk niet.’ ‘Dat heb je goed gezien’, antwoordt ze dan.

Norine Ramsahai in India, het land waar haar vader geboren werd.  Beeld Ines Vansteenkiste-Muylle
Norine Ramsahai in India, het land waar haar vader geboren werd.Beeld Ines Vansteenkiste-Muylle

In 2018 reisde Norine nogmaals naar India, naar het geboortedorp van haar vader, voor de viering van het hindoefeest Divali. En om 38 naaimachines te brengen voor de weduwen in het dorp, waar ze met familie en vrienden geld voor had ingezameld. Ze laat foto’s zien van het bezoek. Op elke foto het stralende middelpunt: Norine in traditioneel Indiaas gewaad. Ze zegt: ‘Ik lijk op ze, niet?’

Ze mag zich zelfs overseas citizen van India noemen, vertelt ze met enige trots – omdat zij en haar broers en zussen ooit als Brits-Indiërs geboren zijn, vanwege haar vader.

En die vraag die haar van tijd tot tijd kwelt: bij wie Norine hoort? Haar Surinaamse tante Ilse weet het antwoord wel: ‘Norine is in harmonie met haar beide kanten. Ze is Hindi én nengre, niet te moeilijk doen, een echte Surinaamse.’

Norine moet glimlachen als ze het hoort. ‘Ilse is een lieve vrouw’, zegt ze. Na een stilte: ‘En ik denk dat ze gelijk heeft. Jawel.’

Met dank aan

Het verhaal en de reconstructie van sommige gebeurtenissen zijn mede tot stand gekomen dankzij de hulp van stamboomonderzoeker Ank de Vogel-Muntslag. Historici Sandew Hira en Maurits Hassankhan hielpen Norine al in een eerder stadium aan historische informatie. De verhalen van tante Ilse Schet in Suriname gaven kleur aan een familieachtergrond die amper in archieven is gedocumenteerd. Voor achtergrondinformatie is verder ook geput uit De awatar van slavernij: Hindoestaanse migranten onder het indentured labour systeem naar Suriname 1873–1916 van Radjinder Bhagwanbali en diverse artikelen en boeken van sociaal-wetenschappers Chan Choenni en Ruben Gowricharn.

Meer over