Gastcolumn

Mijn vader is in deze tijden een onwelkome linkse rotsocialist

Schrijfster Sarah Sluimer is deze maand gastcolumnist op Volkskrant.nl. In haar eerste bijdrage vertelt ze over haar vader in een veranderende wereld.

Sarah Sluimer
Sarah Sluimer, deze maand gastcolumnist op volkskrant.nl. Beeld Rechtenvrij
Sarah Sluimer, deze maand gastcolumnist op volkskrant.nl.Beeld Rechtenvrij

Mijn vader en ik schelen een halve eeuw. Hij is geboren in 1936. Tijdens de oorlog rende hij op z'n knokige beentjes door ons dorp om zwerfmunitie te vinden. Hij blies, hijgend van de pret, melkbussen op met carbid. Later vocht hij het bloed voor z'n ogen in Nieuw-Guinea. Hij liep een eeuwige oorpiep op in een onderzeeboot. Hij trouwde jong. Hij trouwde nog een keer. Hij kreeg mij. Hij gooide met stoelen, hij likte stiekem alle pannen leeg. Hij trok kirrende tantes in stevige omhelzingen en had zijn glas al leeg voor het volgeschonken was.

Hij ging de gemeentepolitiek in. Hij werd burgermeester van ons dorp. Hij tierde tijdens de raadsvergaderingen tegen alles wat gortdroog christelijk of onrechtvaardig was. Ik zat op de publiekstribune en wilde ook schreeuwen. Mijn schoen naar die steile refo's gooien. Hij legde na afloop een zware hand op mijn hoofd en liet me beloven altijd voor de zwakkeren op te komen. En ik knikte en zei nog een keer de lijsttrekkers voor hem op. 'Wim Kok: goed. Elco Brinkman: bang. Hans van Mierlo: is mama verliefd op. Frits Bolkestein: noem die naam nooit meer.'

Galliërs

Ik ging studeren en belde hem vaak op, maar altijd als ik hem sprak kregen we ruzie. Over integratie. Over kunstsubsidies. Ik haalde Kant er bij, omdat ik wilde laten zien dat ik hem ontstegen was. Hij ging de strijd aan en beslechtte deze ook nog eens met zijn zeldzame talent de tegenstander pesterig en tot op het bot te verwarren. Ik kwakte dan midden in een zin de hoorn er op. We belden elkaar een paar uur later schutterig terug. Maar met ieder gesprek werd het gat tussen ons iets groter. Dus belden we steeds minder vaak.

Het werd erger. De wereld begon steeds meer uit elkaar te klappen. Van de beschutte jaren negentig was al lang niets meer over. Ik werd Amsterdamser en ook iets rechtser. Hij verankerde zich steeds steviger in het dorp. Op kerstavonden hingen we schreeuwend over onze borden als twee Galliërs vechtend om een stuk everzwijn. Hij klampte zich vast aan het oude linkse ideaal. Ik vond dat hij zijn zin voor realiteit verloren had. Hij verweet mij arrogantie. Ik zei dat Hardinxveld-Giessendam nou niet bepaald het centrum van het universum was. Hij zei: 'Ik heb verdomme niet bij je in de klas gezeten'. Ik zei: 'Dat klopt. Ik heb wel gestudeerd.'

Wreed

Maar nu, weer een paar jaar later, zijn we tot rust gekomen. Ik heb iets minder te bewijzen. Hij hoeft niet meer zo nodig de mensen te bedwingen. Hij zit nu voornamelijk uren achter zijn computer en scrolt tot z'n dikke mannenduimen blauw zien. Hij zegt rare dingen op Facebook, zoals alle ouders doen. Ik like alles wat hij post.

Eigenlijk doen we precies hetzelfde met ons leven. Zitten, door het nieuws bladeren en zuchten. Hij weet misschien nog net niet dat hij in deze tijden een onwelkome linkse rotsocialist is en op de koop toe ook nog eens een te verafschuwen blanke man.

Ik ga het hem niet vertellen.

Ik vind het wreed dat hij de EU, die hij nog opgericht heeft zien worden, uit elkaar ziet donderen, dat hij moet vrezen dat zijn kleinzoon en ik bij een aanslag betrokken raken en dat hij de vooroorlogse onverdraagzaamheid weer door de aderen hoort suizen, maar eigenlijk denk ik dat ik dat allemaal veel erger vind dan hij. Ik vind het vreselijk met de pathetiek van de jeugd. Hij ziet hoe de geschiedenis een baan in rolt die hij al kent.

Gekabbel

We hangen weer eens aan de telefoon, we lachen wat. We zijn lief voor elkaar. Hij zegt dat het goed met me gaat. Ik hoor hoe we tegelijkertijd een glas inschenken. We praten over de nieuwste aanslag in Turkije. 'Gekken zijn het', zegt hij kalm en laat het daar bij. Ik hang vrolijk op.

Die vrolijkheid verandert na een paar minuten in onrust. Ik vind dat gekabbel opeens onheilspellend. Alles tussen ons lijkt onherroepelijk op een vredig einde af te denderen. Ik wil hem appen: 'Kom eens vechten, vader. Ik ben nog lang niet klaar met je.'

Maar ik durf niet.

Sarah Sluimer werkt aan haar eerste roman bij Atlas/Contact en is deze maand gastcolumnist op Volkskrant.nl.

Meer over