'mijn schooltijd was een ramp'

Oud-journalist Frits Groene veld (62) stottert vanaf zijn 6de. Een paar jaar geleden werd hij predikant. 'Nu moeten de mensen maar eens naar mij luisteren.'..

'Het was zondag 26 november 1944, ik was bijna 6 jaar. Met mijn ouders, broertje en zusje woonde ik in de Albrecht Dürerstraat in Am ster dam, vlak achter de Euter pestraat, nu Gerrit van der Veen straat. We zaten met z'n allen rond de tafel. Plotseling klonk het luchtalarm en vlak daarop explosies. Het werd donker. Mijn vader en moeder doken onder de tafel. In hun paniek vergaten ze ons een ogenblik. Lang heeft dat niet geduurd - even later zaten wij ook onder de tafel - maar ik moet van dat voorval een flinke dreun hebben gekregen. La ter is het althans door therapeuten als verklaring aangevoerd voor mijn stotteren.

Mijn schooltijd was door dat stotteren een ramp. Van de lagere school herinner ik me niet dat ik erg werd geplaagd, maar die onmacht om tot uitdrukking te brengen wat je wilde zeggen, om te communiceren!

Mijn vader was praktisch doof. Hij zag mij wel trekkebekken, maar hoorde niet wat er met mij aan de hand was. En mijn moeder wist niet goed wat ze ermee aanmoest. Het hoofd van de school en anderen die het weten konden, beweerden dat ik vanzelf over dat stotteren heen zou groeien, maar dat gebeurde niet. Later kreeg ik allerlei therapieën, maar die hielpen nauwelijks.

Op de middelbare school lachten mijn klasgenoten zich soms gek om me. Ik was ook al geen goede leerling, kreeg voortdurend slechte cijfers en omdat mijn ouders toch graag zagen dat ik mijn gymnasiumdiploma haalde, deden ze me in huis bij een leraarsgezin in Zeist, in de hoop dat ik onder hun toeziend oog beter zou presteren. Het waren streng christelijke mensen en op zondag werd er naar de kerk gegaan. Maar ze waren niet zo christelijk dat ik met hen mee naar de kerk moest, ik mocht zelf kiezen en ging naar de Doopsgezinde Gemeente. Daar was toen dominee Mesdag, die veel indruk op me maakte. Hij had twee handicaps: een ijzeren haak als hand - het was fantastisch hoe hij daarmee de bladzijden van de Bijbel omsloeg - en hij stotterde hevig. "Wat een durf heeft die man", dacht ik.

Ik kreeg in de les zelden een beurt maar dat vond ik wel prettig. Ik was er niet vies van mededogen op te roepen als het me uitkwam. Later toen ik rechten studeerde, deed ik zoveel mogelijk mondelinge tentamens. Maar professor Heertje bij wie ik tentamen economie moest doen, zei tegen me: ''Meneer Groeneveld, u kunt stotteren zoveel u wilt, maar u kent de stof gewoon niet.'' En zo was het ook.

Eigenlijk wou ik geschiedenis of theologie studeren, maar omdat de middelbare school al zo moeizaam ging, vonden mijn ouders dat ik iets makkelijkers moest kiezen. Het werd dus rechten. Mijn studietijd in Amster dam was tamelijk zorgeloos, de problemen begonnen pas weer toen ik werk moest gaan zoeken. Een jaar lang heb ik me rot gesolliciteerd. Op zeker moment was ik aangenomen als directiesecretaris bij Bureau Berenschot in Hengelo. Ik moest alleen nog een gesprekje hebben met de directeur, die me ontving in zijn kantoor in het Centraal Station van Amsterdam. Na twee minuten zei hij: ''Het spijt me vreselijk, maar het gaat niet door. U hebt een spraakgebrek en dat heeft niemand mij verteld.'' Als ik een depressief karakter had gehad, was ik toen waarschijnlijk het water ingelopen. Ten slotte ben ik terechtgekomen bij het Openbaar Lichaam Rijn mond in Schiedam, als referendaris tweede klasse. Na twee weken was me al duidelijk dat ik daar niet wilde blijven. De sfeer en de manier waarop de mensen met elkaar omgingen, was intens vervelend.

Na een een geanimeerd sollicitatiegesprek met Stempels, de hoofdredacteur van de Nieu we Rotterdamse Courant - waar ze een jurist zochten voor de redactie binnenland - was mijn interesse voor de journalistiek gewekt, ook al kreeg ik die baan niet. Ik schreef een briefje aan Algemeen Handelsblad, met het verzoek om eens te mogen komen praten. Ik werd hartelijk ontvangen door Henk Hofland. Weer een fantastisch leuk gesprek, maar hij kon me niet aannemen omdat er geen vacature was. En hij zei eerlijk dat mijn spreken hem toch wel een ernstige belemmering leek voor het beroep van journalist. Maar een paar weken later kreeg ik een brief dat er een vacature was op de redactie binnenland, en of ik nog geïnteresseerd was.

Ik kon beginnen op voorwaarde dat ik wat aan mijn spreken zou doen. Op kosten van de krant volgde ik een drieweekse training van de zogenaamde Doetinchemse methode, een groepstherapie. De bedoeling was dat ik er na afloop een stuk over zou schrijven. Het was zeer leerzaam, en het was een hele ervaring om te ontdekken dat er mensen waren die nog erger stotterden dan ik.

In het werk bleef telefoneren een van de lastigste dingen, vooral midden in de redactiezaal. Ik zocht altijd naar een stil plekje, maar dat was er zelden. Als mijn chef me hoorde haperen, riep hij: ''Godverdomme Groe neveld, ademhalen!'' Hoewel ik de meeste tijd met plezier bij de krant heb gewerkt, onder andere op de Haagse redactie in de spannende jaren van het kabinet-Den Uyl, bij het Zaterdags Bijvoegsel en als redacteur geestelijk leven, heeft dat spreken me toch niet meegezeten. Bij vergaderingen waar ik best iets in het midden had willen brengen, hield ik meestal mijn mond. Niet dat ik spreken in het openbaar altijd vermeed: speechen op bruiloften en partijen deed ik graag, zolang ik mijn tekst kon voorbereiden en mensen me niet in de rede konden vallen. En heel soms lukt het dan ook zonder één hapering, zoals op de begrafenis van mijn vader.

Als stotteraar heb je er niet alleen last van dat je je moeilijk kunt uitdrukken, het is ook een lichamelijke kwelling. Je hebt het benauwd, krijgt pijn in je kaken en het is doodvermoeiend. Ik heb weleens gevloekt en geschreeuwd als eindelijk het woord eruit kwam dat ik wilde zeggen, en degene tegen wie ik sprak zei: ''Wat zeg je?'' De afgelopen tien jaar is het beter geworden. Hoe dat komt weet ik niet, al die therapieën hebben misschien toch vruchten afgeworpen.

In '89 ben ik gescheiden, en omdat ik altijd kerkelijk actief was geweest, kwam de dominee eens langs. Ik vertelde haar dat ik graag theologie had willen studeren. Bij het volgende bezoek had ik het er weer over en de derde keer zei ze: ''Ben je er nu nog steeds niet aan begonnen?'' Naast mijn baan bij de krant ben ik toen een theologie-opleiding gaan doen. Nog nooit heb ik zulke prachtige cijfers gehaald.

Een paar jaar geleden kon ik weg bij de krant en werd ik dominee bij de Doops gezinde Gemeente in Baarn. Vlak voor het zo ver was, had ik uit nieuwsgierigheid ergens in verlaten klooster in Brabant een training gevolgd bij de Duits-Amerikaanse Beth Weiner, een psychotherapeut uit de school van dr. Elisabeth Küb ler-Ross. Haar methode is erop gericht mensen die stervenden begeleiden, zoals predikanten, te laten afrekenen met hun unfinished business. In de vier dagen van die workshop ben ik het laatste restje bitterheid over mijn stotteren kwijtgeraakt, het feit dat het mij was overkomen en niet mijn zus of broer, die dat bombardement toch ook hadden meegemaakt. En ik was af van mijn angst of ik wel geschikt zou zijn als dominee. Voor die tijd dacht ik: "Stel je voor dat ik tijdens de preek blijf vastzitten op het woordje God."

Toen ik net in Baarn kwam, hadden sommige gemeenteleden er moeite mee als ik haperde bij het lezen uit de Bijbel. Ze vroegen zich af waarom ik dat niet door een ander liet doen, maar dat wilde ik niet. Nu is het mijn beurt, vond ik, nu luisteren ze maar eens naar mij. En ik vind het heerlijk als na afloop van de dienst mensen naar me toekomen en zeggen: ''Dominee, wat heeft u toch een mooie, welluidende stem.'' '

Meer over