Mijn scheidend uitgever en ik delen liefde voor karaoke

Het contract voor mijn pageturner Mambo Jambo kreeg ik pas van Vic nadat wij samen Je veux de l' amour van Raymond van het Groenewoud hadden gezongen.

Beeld Gabriël Kousbroek

Het was eigenlijk helemaal niet mijn bedoeling deze column aan mijn uitgever Vic van de Reijt op te dragen. De Algarve werd geteisterd door een zondvloed en ik heb dagen geploeterd om mijn vruchteloze strijd tegen de elementen literair en metaforisch te contextualiseren, met tal van verwijzingen naar Fernando Pessoa wiens naam de lezer inmiddels hopelijk bekend zal zijn.

De geplande column heette Beerput en de uitsmijter was - heel verrassend - een overstroomde cloaca en mijn gaarde die tot grote vreugde van de hondekens in een drollenzee was veranderd.

Enfin, de zon straalt hier weer en dan is het pathetisch om een suïcidaal stukje te schrijven terwijl ik in mijn onderbroek en met een caipirinha in de hangmat schommel. Bovendien gaat Vic volgende week met pensioen en had ik hem nog nooit genoemd in mijn column.

Mijn scheidend uitgever en ik delen de liefde voor karaoke. Bij mij begon dat in Bamako, de hoofdstad van Mali. Twee stomdronken Libanezen blèrden hartverscheurend J'ai quitté mon pays van Enrico Macias mee en ik was verkocht. Van nature ben ik erg verlegen en karaoke werd (nog even los van de spiritualiën en de uiteenlopende verdovende en opwekkende drugs) een therapeutische uitlaatklep. In Paraguay bezocht ik daarom elk weekeinde homofielenbar El Trolo Gritando en zong daar de meest vreselijke Spaanse smartlappen.

Het contract voor mijn pageturner Mambo Jambo kreeg ik pas van Vic nadat wij samen Je veux de l' amour van Raymond van het Groenewoud hadden gezongen in een schimmige animeertent op de Amsterdamse Zeedijk (ook Gabriel Kousbroek, Arnon Grunberg en Ronald Giphart ondergingen dit beschamende initiatieritueel).

Tijdens onze legendarische slemppartijen in Het Molentje bespraken Vic en ik enkel muziek en vooral levensliederen uit welke negorij dan ook. Onze liefde voor heldere, uit het hart gegrepen teksten was oprecht en geen intellectuele pose met de bedoeling volks over te komen, zoals je bijvoorbeeld zag bij Bas Heijne die een jubelende en vooral duidende column over de poëzie van Frans Bauer schreef in het Handelsblad.

Soms begon Vic over Willem Elsschot en dan rende ik naar barman Jeron om het Duvel-infuus van mijn patroon bij te laten tanken.

Over de verhouding tussen uitgever en schrijver waren we het eens: de schrijver kan heel goed zonder de uitgever, maar de uitgever kan niet zonder de schrijver (en dus moest Vic de drinkgelagen betalen voor zijn straatarme auteurs).

Zijn pensionering stemt mij droef. Die kleine, olijke, valszingende Brabo was toch een soort vaderfiguur geworden.

Meer over