Mijn moeder is een vis

Acht Nederlandstalige auteurs verdiepen zich deze zomer opnieuw in hun favoriete roman of verhalenbundel...

Herman Franke

Vijftien verschillende ik-personen en 59 hoofdstukken met innerlijke monologen in een roman van amper tweehonderd bladzijden, je moest het maar durven als schrijver in 1930. William Faulkner durfde het. Met Terwijl ik al heenging (As I Lay Dying) bevestigde hij zijn reputatie van duister en moeilijk schrijver.

Toen ik de roman halverwege de jaren tachtig las, moest ook ik erg wennen aan al die korte hoofdstukjes, die wisselende perspectieven en die monologen vol herhalingen van obsessieve gedachten. In mijn herinnering las ik het boek als de Echternach-processie – drie bladzijden vooruit en twee weer terug – want steeds had ik het gevoel dat mij iets ontgaan was.

Een vader, vier zonen en een dochter vervoeren het lijk van hun moeder op een aftandse kar om haar te kunnen begraven op de plaats van haar keuze. Wat mij verbaasde was hoe die gezinsleden en andere betrokkenen als mensen van vlees en bloed voor me stonden met al hun hebbelijkheden en diepste gedachten, hoewel ze in het hele boek soms maar enkele bladzijden lang aan het woord zijn.

Een hoofdstuk bestaat uit één zinnetje, dat in het hoofd van het jongste zoontje Vardaman rondzingt: ‘Mijn moeder is een vis.’ En toch, toen ik het boek uit had, was met deze ene prachtzin uitputtend weergegeven hoe een kind de dood van zijn moeder verwerkt.

Faulkner is een meester in korte zinnen die een heel karakter openbaren. ‘Ik ben niet gelovig, denk ik. Maar er is vrede in mijn hart: dat weet ik.’ Dit is vader Anse. Er zijn filosofen die je met dikke boeken minder aan het denken zetten dan Faulk-ner met twee zinnen. ‘Het vergt twee mensen om je te maken, en een om dood te gaan. Zo zal de wereld aan haar einde de komen’, denkt Darl bijvoorbeeld, de zoon die ‘vreemd’ wordt bevonden door de mensen.

Terwijl ik al heenging was mij al die jaren bijgebleven als een broeierig boek waarin op een rudimentair niveau veel dieper in de menselijke geest wordt afgedaald dan in de beste pschologische romans en waarin toch het dierlijke en fysieke voorop staat.

Bij het herlezen viel mij vooral op dat de roman veel toegankelijker is dan ik dacht, waardoor de personages juist aan gelaagdheid nog hebben gewonnen. Dat kan komen doordat ik inmiddels zelf – gek genoeg zonder me van schatplichtigheid aan Faulkner bewust te zijn geweest – enkele meerstemmige romans heb geschreven en zodoende een scherpere lezer ben geworden. Maar ik denk dat er meer aan de hand is.

Halverwege de jaren tachtig was er nog geen televisie waarop je, onrustig zappend, voortdurend in films valt die al eerder begonnen zijn. Als kijker leer je in te vullen wat je gemist hebt, elke dag maar weer. Dat kweekt een nieuwe kijkvaardigheid.

Films waarin verschillende verhalen door elkaar heen verteld worden, zoals Short Cuts (Robert Altman) of Happiness (Todd Solondz), rekenen op die nieuwe vaardigheid. Ook lezers kunnen hierdoor complexere vertelvormen aan dan vroeger. Ik ook. Wat niet wegneemt dat alleen hele grote romans rijker worden naarmate de tijd verstrijkt.

Herman Franke

Meer over