Column

Mijn grootste angst: dat het publiek niet goed genoeg is

Thomas van Luyn
null Beeld Robin de Puy
Beeld Robin de Puy

Toch ben ik van de YouTube-generatie. Officieel van daarvoor, maar ik was mijn tijd vooruit in die zin dat ik al mijn wereldkennis ingestraald kreeg uit een beeldscherm. Nog steeds zie ik mijn helden nog liever elektronisch dan in het echt. Soms staat zo'n Louis CK of Ricky Gervais in de Ziggo Dome of zo, dan krijg ik kaartjes aangeboden, en altijd zeg ik nee. Hoog als ik mijn helden heb zitten, ik ken ze van tv. Daar heb ik van ze leren houden: in close-up. Niet van 50 meter afstand op een podium. Iemand die op tv thuishoort en ineens in je gezichtsveld staat, dat is als Woody Allen die klarinet speelt. Dat schijnt hij ook heel verdienstelijk te kunnen, maar het is een andere ervaring dan naar Annie Hall kijken. Niet minder: anders.

Een scherm immers verhoudt zich tot een zaal als een kroket tot een schuursponsje: de overeenkomsten zijn zo goed als nihil. Het licht is anders, het geluid, de afmetingen, en vooral: het publiek. Dat laatste is niet onbelangrijk. In de zaal is de ster dichterbij - met alle voors en tegens van dien. Voor: je kunt hem aanraken, of stompen en onderuit schoppen als je dat zou willen. Tegen: het is ineens een mens. Daar hou ik niet zo van, mensen. Die zijn enorm kwetsbaar en dat gaat vaak ten koste van mijn beleving. Ik krijg bijvoorbeeld last van verantwoordelijkheidsgevoel. Als het publiek niet goed genoeg is, trek ik mij dat persoonlijk aan. Als ze op het foute moment lachen of juist pijnlijk stil blijven bij de goede grappen wil ik heel, heel erg graag mijn excuses aanbieden. Alsof ik en de rest van het publiek gewogen en beoordeeld worden. Mijn grootste angst is dat hij denkt: tjees, wat een kutpubliek zeg, hier in Nederland, gisteren in Denemarken waren ze beter.

Ik meen dan te zien dat hij begint te balen, maar er zich dapper doorheen slaat. Om hem te helpen, stel ik alles in het werk om hem een goed gevoel te geven: aandachtige blik met een constante, geruststellend bedoelde grijns op mijn gezicht. Niet té, want dan lijkt het een angstgrimas. Ontzettend egocentrisch als je erover nadenkt, want het betekent dus dat ik blijkbaar denk dat Louis CK naar mij zit te kijken in plaats van andersom. Draait het bij andermans voorstelling toch weer om mij.

Doodvermoeiend allemaal. Ik weet dan ook vaak niet of het optreden goed of slecht was, daarvoor had ik het te druk met de kwaliteit van het publiek en de vermeende beleving van degene op het podium. Hoe kan een mens genieten met al die prikkels? Met een biertje en een laptop op mijn buik is dat allemaal makkelijker. Daar weet het voltallige publiek alles uitstekend op waarde te schatten.

Gek genoeg heb ik dit alleen bij grote sterren. Bij onze eigen cabaretiers zit ik hartstikke relaxed tussen een publiek dat zich niet hoeft te meten met Amerikanen, die immers een hysterische ovatie geven van tien minuten, alleen al als de artiest het podium opwandelt. Wacht eens: zouden Amerikanen hetzelfde hebben als ik? Dat ze zich inspannen een beter publiek te zijn dan dat van gisteren? Het ís een competitief volk...

t.vanluyn@volkskrant.nl, @thomasvanluyn

Meer over