'Mijn eerste moord bedacht ik op de boot naar Stockholm'

Juni, de Maand van het Spannende Boek, staat in het teken van Scandinavië...

Elke kamer in het Rival Hotel in Stockholm heeft een andere filmscène boven het bed, omringd door fluwelen gordijnen – met wat geluk is het een ingelijst beeld van Abba – De film, uit 1977. Eigenaar en voormalig Abba-man Benny Andersson heeft van de vroegere Rival Cinema met een combinatie van film, theater, eten, drinken en slapen the hottest and coolest place in town gemaakt.

In de bistro is een deel van de wand bedekt met foto’s van Zweedse auteurs en artiesten, aan een andere wand hangt een enorme foto uit de film Het Zevende Zegel van Ingmar Bergman: de Zwarte Dood speelt op het strand een partijtje schaak op leven en dood met Ridder Antonius Block (Max von Sydow).

‘Bloody religious stuff’, zegt Maj Sjöwall. ‘Van ons Zweedse genie, Ingmar Bergman. In het begin heeft hij een paar aardige komedies gemaakt. Daarna werd het dít’ Ze komt hier wel eens als haar dochter, die na een ongeluk met een paard in een rolstoel zit, in een van de aangepaste kamers logeert. ‘Mijn moeder hoort ook aan de muur te hangen’, had ze tegen de manager gezegd. Abba – Bergman – Sjöwall & Wahlöö: driemaal de trots van Zweden.

Stilistisch knap, maatschappijkritisch, ironisch, humoristisch, een breuk met de traditie: de tien misdaadromans die het schrijverspaar Maj Sjöwall (1935) en Per Wahlöö (1926-1975) tussen 1965 en 1975 publiceerde, werden een veel geprezen internationaal succes. Hoofdpersoon Martin Beck, van inspecteur tot chef rijksmoordbrigade, uitstekend in zijn werk, maar een moeizaam levend mens, wordt nog steeds geroemd als het grote voorbeeld van een levensechte politieman.

Sjöwall verontschuldigt zich bij de kennismaking met zachte stem. Ze voelt zich niet zo goed. Maagproblemen, en haar rug is ook niet helemaal in orde. Als drankje wordt ons de natuurzuivere Zweedse variant van een kopstoot aanbevolen. In de loop van het gesprek worden haar stem en houding krachtiger en lichten de blauwe ogen achter de brillenglazen levendig op.

Maj Sjöwall: ‘Wij werden indertijd soms bekritiseerd om iets wat iedereen nu doet. Omdat we niet alleen beschreven hoe politiemensen hun werk deden, maar ook hoe ze wel eens depressief of dronken werden, problemen hadden, met hun vrouw naar bed gingen. Dat hadden we van tevoren zo bedacht. Martin Beck moest geen held worden. Hij werkt in een collectief, met collega’s die zeer uiteenlopende karakters en werkwijzen hebben.

‘Beck is heel menselijk. Iemand met empathie. Hij heeft voortdurend met problemen te kampen, daarom is hij depressief en heeft hij een slechte maag. Ik heb twee verschillende politiemannen op de televisie horen zeggen: ik denk dat die schrijvers mij als model hebben gebruikt.

‘Indertijd was de politieorganisatie nog heel gesloten. Je wist niet veel meer dan in de kranten stond. Niemand wist wat de politie deed als ze een lijk vonden. Nu kan je iedere avond wel drie keer op tv zien wat er gebeurt als er een lijk in een bos gevonden wordt. Maar schrijvers besteden er tegenwoordig wel heel veel pagina’s aan. Het wordt nogal langdradig, steeds weer dezelfde routines in ieder boek. Wij wilden nog iets anders: we wilden de taalkundige kwaliteit van misdaadfictie verbeteren en de media ertoe bewegen meer dan vijf regels te schrijven over ‘dat soort boeken’.

Ze lacht als ze herinnerd wordt aan de uitspraak die haar man ooit deed over zijn drijfveren: ‘De misdaadroman gebruiken als een scalpel om de buik van de ideologisch verpauperde, moreel aanvechtbare, zogenaamde welvaartsstaat van het bourgeois type open te snijden.’

‘Als studenten over ons werk willen schrijven, stuur ik ze dit soms toe. Ach, Per sprak vaker met journalisten over onze boeken dan ik. Ik dacht: we schrijven graag en zo goed mogelijk en we hopen dat de mensen er ook eens om kunnen lachen. Maar hij was politiek strenger dan ik.’

Ze waren allebei journalist, toen ze elkaar in de zomer van 1962 ontmoetten. Hij was politiek verslaggever, werd onder Franco’s regime uit Spanje gezet, maar schreef ook over film en misdaad. Getrouwd, een dochter, lid van de communistische partij. Zij werkte als journalist en art director, had een dochter van zes en twee huwelijken achter de rug. Met haar 27 jaar was ze negen jaar jonger dan hij, en net zo links.

‘In het begin van de jaren zestig waren alle jongeren die ik kende links. Wij kwamen uit burgerlijke families. Toen de oorlog in Vietnam begon, schaarde iedereen zich aan de linkerkant.

zie verder p3

‘De Zweedse misdaadroman bestond niet, in onze tijd’
vervolg van p1

We werkten voor een weekkrant van de communistische partij. In het begin zagen Per en ik elkaar in het geheim, omdat hij nog getrouwd was. Hij had al een paar boeken geschreven, werkte aan zijn vierde politieke roman en vroeg of ik bepaalde delen wilde aanvullen. Om uit te proberen of we samen zouden kunnen schrijven.

‘Het was niet echt moeilijk. We sleutelden aan onze stijl en vonden iets wat ons allebei lag. Na een jaar scheidde hij en gingen we samenwonen.

‘Toen kwam het idee voor de serie. De eerste moord bedacht ik op een boot naar Stockholm. Er stond een prachtige, Amerikaanse vrouw van een jaar of vijfentwintig op het dek, ze keek naar Zweden, en Per keek naar haar. ‘Dat is ons eerste lijk’, zei ik. Het werd De vrouw in het Götakanaal (in het Zweeds: Roseanna, verschenen in 1965).

‘Het moest entertainment zijn, met een politieke inslag, want we wisten dat puur politieke romans niet in grote aantallen werden verkocht. In die tijd had je geen politieromans in Zweden. Een paar auteurs fabriceerden detectives in de stijl van Agatha Christie. Wij wilden schrijven over hoe de sociaal-democraten kapitalistischer en rechtser werden, en hoe de werkende klasse het onderspit dolf.

‘Het was de tijd van Olof Palme (socialistische politicus en latere premier, in 1986 vermoord, red.). Iedereen hield van Palme, wij niet zo. Zijn voorganger trachtte het onderwijs en de gezondheidszorg voor alle Zweden te verbeteren. Palme’s boodschap was: dat doen wij ook, maar we helpen óók de industrie en de kapitalisten, en het werkt fantastisch. Dat was een leugen. Nu hebben we geen eigen industrieën meer, Zweden is de 51ste staat van Amerika.

‘In ieder boek wilden we de ontwikkeling in de maatschappij beschrijven. We werkten meestal ’s avonds, als de kinderen naar bed waren – we kregen nog twee zoons – en schreven met de pen. De opzet lag tevoren vast, daarna werkte ieder voor zich de karakters, de dialogen en andere finesses verder uit. Soms daagden we elkaar uit door een nieuw personage in te brengen of iets in de dialogen te veranderen, waar de ander om moest lachen.

‘We hoopten op den duur met de journalistiek te kunnen stoppen en schrijvers te worden. Maar we moesten nog lang ander werk blijven doen, tot de vertalingen op gang kwamen. In 1971 werden we uitgenodigd om naar New York te komen om voor De lachende politieman (Den skrattande polisen, 1968) de Edgar Award in ontvangst te nemen. Die was nog niet eerder aan een buitenlandse auteur uitgereikt. Tot op de dag van vandaag is het ook niet meer gebeurd.

‘De Amerikaanse auteur Ed McBain was boos bij de uitreiking. Hij dacht dat wij door zijn 87th Precinct-boeken geïnspireerd waren, en dat denken meer mensen, maar we kenden zijn werk toen helemaal nog niet. Later zijn we de boeken gaan lezen. We vonden ze heel goed en hebben er een aantal vertaald.

‘McBain was het wel met ons eens dat het een goed idee was om een serie van niet meer dan tien boeken te schrijven. Zijn almaar uitdijende 87th Precinct-serie was hem zo de keel gaan uithangen, dat hij het politiebureau in de verhalen door een man met een bom wilde laten opblazen. Het gevaar is dat je jezelf gaat herhalen Remember Ed McBain, zeiden we tegen elkaar. Niet meer dan tien.’

In een heruitgave van De lachende politieman in 2009 schreef de Amerikaanse auteur Jonathan Franzen (The Corrections) het voorwoord. Over hoe hij in 1979 van een huisgenoot een paperback cadeau kreeg. Franzen las in die tijd alleen ‘grote literatuur’, pas een paar jaar later, toen hij te ziek was voor Faulkner of Henry James, pakte hij het boek op. Het werd een openbaring.

Martin Beck, een nog grotere hypochonder dan hij, stal Franzens hart. Net als rechercheur Lennart Kollberg, in wiens linkse tirades de stemmen van de auteurs doorklonken. Sjöwall en Wahlöö verenigden de bevredigende simpliciteiten van genrefictie met de tragikomische spirit van grote literatuur. Het abominabele weer, de inventaris van alles wat niet deugde in Zweden, de realiteit van het politiewerk, maar ook de soms komische overdrijvingen, maakten hem een groot bewonderaar en chronische herlezer.

Sjöwall: ‘Het valt me op dat veel mensen, onder wie ook collega Henning Mankell, zich die eerste boeken nog zo goed kunnen herinneren. Grappig. De tijd was zo anders, er werd nog volop gerookt, je belde vanuit een telefooncel. Nu heb je mobieltjes en zit iedereen achter de computer – ook in de verhalen. Voor mij maakt dat het minder spannend. Nu worden er grenzen overschreden, voor zover die nog bestaan, en is de misdaad nog wat harder en gewelddadiger geworden.’

Waarom Scandinavische, en met name Zweedse, misdaadfictie, ook in andere landen zo populair is, kan ze niet echt verklaren. De samenlevingen lijken wel op elkaar, maar zijn toch heel verschillend. Misschien is het de veelzijdigheid van de Zweedse natuur die mensen aanspreekt. En de maatschappijkritiek die ook nu nog vaak in Zweedse misdaadverhalen is verwerkt, die wordt volgens haar ook gewaardeerd.

‘Het lijkt er op dat iedere Zweedse misdaadauteur dat ingrediënt erin moet verwerken. Toch vind ik de meesten stilistisch niet erg goed, met als uitzondering Håkan Nesser. Auteurs als Roslund & Hellström zijn ook goed, met uitstekende thema’s, maar ze schrijven meer journalistiek. Op Henning Mankell ben ik niet echt dol, hoewel ik zijn eerste misdaadroman, Moordenaar zonder gezicht, indrukwekkend vond.

‘Maar laat ik niet te kritisch zijn. Ik lees niet zo veel misdaadfictie meer. Veel misdaadauteurs voelen zich aan ons verplicht. Daar ben ik trots op, hoewel ik onszelf niet de hemel in wil prijzen. Ons werk is goed geschreven, maar laten we de kwaliteit niet overdrijven.

‘Het wordt ook eens tijd dat er iets verandert. Misschien deed Stieg Larsson dat, alleen al door zijn opmerkelijke hoofdpersonen, hoewel ik de vrouw iets te veel uit een stripboek ontsnapt vind. Dat onze boeken nu opnieuw in veel landen gepubliceerd worden is ook te danken aan hem en Mankell. Iedereen wil weten hoe het begon.’

Ze vertaalt nog steeds en verliet de uitgeverij waar ze gebonden was aan het oude contract, zodat het succes haar in financieel opzicht weinig heeft opgeleverd. Niet dat ze veel waarde hecht aan geld. Als ze maar genoeg heeft om zich prettig te voelen. Ze is nu ouder, heeft niet veel nodig, haar een kamerappartementje voldoet, maar toen ze veertig was en Per overleed, had ze graag met de kinderen een eigen huis willen hebben.

‘Ons laatste boek, De terroristen (Terroristerna), schreven we in Spanje, waar we een huis hadden gehuurd. Per was heel ziek, hij wist dat hij doodging, maar was in een goede stemming. Het was veel meer zijn boek dan het mijne. Ik heb het moeten inkorten en er sommige dingen uitgehaald die ik te pessimistisch vond. Zó slecht kon het toch niet gesteld zijn met de maatschappij. Later bleek dat hij gelijk had. Het is het dikste boek dat we schreven, en het eindigt met Marx.

‘Telkens als ik naar een festival ga, of zoals nu naar een feest in Amsterdam, denk ik hoe fantastisch Per dat ook gevonden zou hebben. En het houdt maar niet op. Soms praat ik er met Per over. Dan zeg ik: dat hadden we niet kunnen weten, dat onze boeken er na zoveel jaar nog zijn en gewaardeerd worden.’

Meer over