Middeleeuwse scholier zat om zes uur klaar

HEEL GERAFFINEERD heeft de Utrechtse bundel artikelen over het middeleeuwse onderwijs de titel Scholing in de middeleeuwen gekregen. Er wordt niet alleen verteld over basisonderwijs, Latijnse school en universiteit, maar ook over de systemen van kennisoverdracht....

HERMAN PLEIJ

De bundel begint met een bijdrage van de historica Heleen Sancisi-Weerdenburg op grond van de wat wonderlijke vraag over de 'uitvinding' van de school. Die plaatst zij in de vijfde tot zevende eeuw voor Christus in Griekenland. Is onderwijs geven en genieten, inclusief de vorming van een 'school', dan niet een vanzelfsprekend onderdeel van de condition humaine, evenals zingen, lopen en toneelspelen? Niettemin geeft dit startpunt aanleiding tot een even breed als helder overzicht van de eerste vormen van georganiseerd onderwijs, waarover informatie bewaard is gebleven.

De mediëviste Mayke de Jong breekt behendig de hardnekkige legende af dat Karel de Grote de stichter zou zijn van een soort lager onderwijs voor velen. Deze overtuiging gaat terug op de biografie van Notker de Stotteraar, die bijna driekwart eeuw na Karels dood in 814 diens daden vastlegde.

Deze onderneming werd geregeerd door de behoefte Karel als een slim en rechtschapen vorst te presenteren die zich niets op de mouw liet spelden, zeker niet door vraatzuchtige bisschoppen of adellijke dronkelappen. Rond dat uitgangspunt werden vervolgens passende anekdoten geselecteerd, die men hoorde te vertellen over een voorbeeldig vorst. Naar de mening van monnik Notker en zijn milieu hoorde zo'n vorst ijver, toewijding en nederigheid meer te appreciëren dan een hoge geboorte. En daar wordt dan postuum voor gezorgd.

Bijna journalistiek opent de neerlandicus Fons van Buuren met een uitdaging aan de lezer tot participerend onderzoek. Wil je wat weten over de laatmiddeleeuwse stadsschool, zorg dan maar eerst dat je 's morgens om zes uur gereed zit, want dan beginnen de lessen. En wee je gebeente wanneer je te laat komt: plak en roede liggen gereed. Met zo'n aanpak richt hij zich meteen tot een breder publiek.

Dat is in de overige artikelen nauwelijks het geval; die spreken veel meer en soms bijna exclusief de vakgenoot toe. Daarmee is de ene bijdrage niet beter dan de andere, maar ze verdragen elkaar slecht binnen één kaft. Wanneer Van Buuren in een paar zinnen uitlegt dat het geschreven boek erg kostbaar was, dan verveelt hij het bedoelde publiek van die vakartikelen. Die laten op hun beurt elke leek buiten de deur staan door jargon en veronderstelde voorkennis.

Overigens is het vrijwel ondenkbaar dat zulke niet alleen naar inhoud, maar ook naar stijl hevig zwalkende bundels ooit een breder publiek zullen vinden, zelfs niet binnen de wetenschap. Wil men de wetenschap bedienen, dan is een nauwere inperking van het onderwerp vereist, een strakkere redactie en een kritisch overzicht van de stand van zaken op het gekozen vakgebied. Zoekt men een breder publiek, dan moet systematisch meer basisinformatie worden gegeven, mogen de artikelen niet al te detaillistisch en uiteenlopend te zijn, en verdient het aanbeveling voortdurend aan te knopen bij actualiteiten die dat publiek wel (her)kent.

Een dergelijke opzet hoeft helemaal niet te verhinderen dat de auteur wat nieuws naar voren brengt, waarmee hij ook zijn vakgenoten kan verrassen. Ook daarvan getuigt Van Buurens bijdrage als hij het gebruik van literaire bronnen bepleit om meer inzicht te krijgen in de ontwikkeling van stadsscholen aan het eind van de middeleeuwen.

Zo wijst hij op de beroemde Floris ende Blanchefloer, waarin een christen- en een heidenkind als vijfjarigen reeds op elkaar verliefd raken. Ze gaan samen naar school en leren daar Latijn, aan de hand van Ovidius' Ars amatoria. Binnen vijf jaar spreken ze die taal zo goed dat ze intiem met elkaar kunnen converseren, zonder dat leken er iets van begrijpen.

Heel cryptisch besluit Van Buuren dan: 'Ook zulke teksten zeggen ons iets over het onderwijs.' Maar wat dan? Het is lang niet eenvoudig aan deze literaire tekst kennis te ontlenen over een laatmiddeleeuwse schoolpraktijk.

Zo'n tekst verraadt alleen gedroomde werkelijkheden, ambities, frustraties en idealen. Daarbij staat het milieu voor deze tekst allesbehalve vast: oorspronkelijk het hof, maar in de Nederlandse bewerking wellicht tevens of in hoofdzaak gericht op de stad. Daar leerden meisjes geen Latijn op school, dat was alleen voor jongens. Bovendien kwam gemengd onderwijs alleen bij uitzondering voor.

De tekst speelt in het heidense land van Floris' ouders, waar per definitie alles het omgekeerde is van een volmaakte christenwereld. Bedoelt de tekst nu dat jongens en meisjes niet samen naar school horen te gaan? En dat het terecht is dat meisjes geen Ovidius lezen, anders komen ze maar op slechte gedachten? Maar zo'n boodschap weerspreekt de sterk geïdealiseerde liefde tussen de beide kinderen, die ondanks alle hinderpalen elkaar trouw blijven en ten slotte huwen, terwijl Floris zich bekeert.

Juist door die scholing in hun jeugd hebben ze de kracht van de wereldse liefde kunnen demonstreren. Deugt zulk onderwijs dan wel of juist niet? Het is bijzonder moeilijk aan de schoolpassage in deze fictieve tekst kennis en inzicht te ontlenen met betrekking tot de ontwikkeling van de stadsscholen in de late middeleeuwen. Dat daagt overigens des te meer uit die in dit opzicht verwaarloosde bronnen nauwkeurig te onderzoeken.

Aanstekelijk is ook de bijdrage van de historica Antoinette Naber over de opvoeding van Bourgondische edelen. Zij laat zien hoe Franstalige prozabewerkingen van berijmde ridderverhalen uit vroeger eeuwen veel meer nadruk leggen op alfabetisering, scholing en zelfs intellectualisering van al die adellijke helden. Daarmee vormen dezen de belichaming van nieuwe idealen onder de adel. Om gerespecteerd te kunnen worden is het nu noodzakelijk vlot te leren lezen en schrijven.

Voor een verdere carrière volstaat de gestileerde vechtjasserij van de toernooien niet meer. Een ridder dient ook belezen te zijn en over een zekere eruditie te beschikken. En dus gaan de jonge edelknaapjes in deze romans nu ook gewoon naar school.

Daarmee is in zekere zin het verhaal van de bundel toch rond. Aan het eind van de middeleeuwen is iedereen ervan doordrongen dat onderwijs betere mensen oplevert. En ondanks enige schokkende bewijzen van het tegendeel is het einde van deze overtuiging nog lang niet in zicht.

Herman Pleij

R.E.V. Stuip & C. Vellekoop: Scholing in de middeleeuwen.

Verloren; ¿ 45,-.

ISBN 90 6550 264 5.

Meer over