ReportageTechsector China

Microchips wapen in China’s technologische opmars

In de handelsoorlog met Amerika gebruikt Beijing de Chinese chipsector als politiek wapen: miljarden worden gespendeerd om eigen microchips te ontwikkelen. Die moeten China’s technologische opmars veiligstellen. Kan China die wedloop winnen?

Bezoekers aan de hightechbeurs van Shenzhen, een van de grootste technologiebeurzen van China. Beeld Ruben Lundgren
Bezoekers aan de hightechbeurs van Shenzhen, een van de grootste technologiebeurzen van China.Beeld Ruben Lundgren

Als ingenieur in de Chinese chipindustrie dacht Sam Wu dat zijn bedje gespreid was. Microchips zijn het nieuwe goud in de technologiesector, en chipingenieurs zijn gewild. Maar Wu’s carrière verloopt woeliger dan verwacht. Zijn vorige werkgever, een Amerikaans bedrijf, vertrok uit China toen de handelsoorlog uitbrak. En hij was nog maar net bij zijn huidige werkgever begonnen, toen daar de grootste toeleverancier door een Amerikaanse boycot werd geraakt. Zo had Wu het niet gepland.

Lees de volledige versie van dit verhaal hier.

‘Vroeger focuste ik enkel op mijn werk, maar nu volg ik voortdurend de internationale politiek’, zegt Wu in een gesprek op de hightechbeurs van Shenzhen, een van de grootste technologiebeurzen van China. Hij bemant er de stand van zijn werkgever XTX Technology, een Chinees bedrijf dat geheugenchips ontwerpt. ‘De relaties tussen landen beïnvloeden deze industrie. Het lot van bedrijven wordt niet langer door de markt bepaald, maar door de politiek.’

De kans is klein dat Wu’s sector er de komende tijd rustiger op wordt. Want microchips, die in elk elektrisch toestel zitten, zijn politieke munitie geworden. De metalige plaatjes – stukjes halfgeleidend materiaal met daarop microscopisch kleine elektrische circuits – zijn de laatste jaren steeds preciezer geworden, steeds geavanceerder en steeds crucialer voor technologische innovatie. Daarmee zijn ze ook de grootste inzet geworden van de technologiewedloop tussen China en de VS.

Microchips vormen als het ware het brein van elektrische toestellen. Hoe fijnmaziger dat brein, hoe meer hersencellen er in passen en hoe krachtiger de technologie. Westerse chipfabrikanten experimenteren tegenwoordig met een precisie tot 2 nanometer – vijfhonderd keer fijner dan een mensenhaar – maar zelfs de meest geavanceerde Chinese bedrijven raken niet verder dan 7 nanometer. De Amerikaanse overheid doet er alles aan om dat zo te houden.

Dat doet Washington door Chinese bedrijven van de meest hoogstaande technologie af te snijden. Zo mogen chipfabrikanten die Amerikaanse technologie gebruiken, sinds mei geen chips meer leveren aan Huawei, het Chinese telecombedrijf. Om te voorkomen dat Huawei de boycot omzeilt via China’s belangrijkste chipfabrikant SMIC krijgt dat bedrijf geen Amerikaanse machines meer geleverd. Ook de Nederlandse machinebouwer ASML krijgt om die reden al maanden geen exportlicentie.

Witte Huis: nationale veiligheid

Officieel neemt de Amerikaanse overheid deze maatregelen omwille van de nationale veiligheid: Huawei en SMIC zouden chips maken voor militaire toepassingen. Concrete bewijzen zijn daarvoor nooit aangedragen, en volgens experts gaat het de VS evenzeer om een economische krachtmeting. In tijden van verregaande digitalisering is het onderscheid sowieso moeilijk te maken: technologische dominantie hangt nauw samen met economische en militaire overmacht.

Maar het is de vraag of de Amerikaanse boycot de Chinese opmars nog kan stuiten, en niet net het omgekeerde bewerktstelligt: dat Chinese techbedrijven zich van de weeromstuit sneller ontwikkelen. Beijing kondigde in reactie op de Amerikaanse maatregelen aan dat de Chinese chipindustrie zo snel mogelijk zelfvoorzienend moet worden. Wordt van alle in China gebruikte microchips nu slechts 27 procent in eigen land geproduceerd, tegen 2025 zou dat 70 procent moeten zijn.

‘Sinds die kwestie met Huawei doen we er alles aan om het buitenland bij te benen’, zegt Cecilia Liang, bedrijfsontwikkelaar van On-Bright, dat chips voor energiebeheer maakt. De bedrijven op de hightechbeurs zitten niet in de voorhoede van de chipontwikkeling – die bedrijven mijden de media – maar delen wel in de klappen van de techoorlog. Doordat Huawei meer binnenlandse chips nodig heeft, is er minder capaciteit voor ­andere bedrijven en zijn de prijzen gestegen. ‘Het zijn gespannen tijden’, zegt Liang. ‘Iedereen is chips aan het hamsteren.’

Hoe vervelend ook, Liang denkt dat de Chinese techsector er uiteindelijk beter van zal worden. ‘De restricties zullen onze eigen ontwikkeling versnellen’, zegt ze. ‘China heeft een goede basis, maar op sommige vlakken zijn we nog afhankelijk van het buitenland. Maar nu zullen we op die vlakken zo snel mogelijk binnenlandse alternatieven ontwikkelen. Er zijn tal van overheidsinitiatieven en subsidies om dat te stimuleren.’

Steunpakket van 1,4 biljoen

Beijing heeft inderdaad een fraai pakket aan steunmaatregelen aangekondigd: het wil de komende vijf jaar 1,4 biljoen dollar in de technologiesector investeren. Het wordt makkelijker voor Chinese techbedrijven om de beurs van Shanghai te betreden en kapitaal op te halen, en chipbedrijven die 28 nanometer halen, worden tien jaar vrijgesteld van bedrijfsbelastingen. Ook worden chipbedrijven aangespoord met binnenlandse toeleveranciers samen te werken.

Chinese overheidssubsidies worden niet altijd even efficiënt ingezet, maar hebben in het verleden wel tot resultaat geleid. De chipbedrijven op de hightechbeurs zijn daar zelf het beste voorbeeld van. De meeste zijn de afgelopen jaren opgericht door Chinezen die lang bij Amerikaanse concurrenten hebben gewerkt maar met riante overheidsaanbiedingen terug naar China zijn gelokt. Ze krijgen subsidies, belastingvoordelen en een voorkeursbehandeling bij openbare aanbestedingen.

‘De overheid investeert heel veel in projecten die wij kunnen uitvoeren’, zegt Megan Wang, verkoopster van Mengxin, dat chips voor locatiebepaling in drones, auto’s en militaire toepassingen ontwerpt. De naam van het bedrijf is een samentrekking van Zhongguo Meng, de ‘Chinese droom’ waar president Xi Jinping graag mee uitpakt, en xinpian, het Chinese woord voor chip. ‘We hebben zo veel van de overheid gekregen. Hen volgen in onze naamgeving is het minste wat we konden doen.’

Uitstalkastje

Maar zelfs met al die steun is succes niet gegarandeerd. Het maken van een chip is een ontzettend complex proces, verdeeld over een hele keten van bedrijven, die in de hele wereld zitten. Chinese firma’s zijn bedreven in het ontwerpen van chips, maar voor de software en de fabricatie zijn ze grotendeels afhankelijk van de Amerikanen. Met SMIC kunnen de Chinezen weliswaar zelf chips fabriceren, maar dat gebeurt vooral met Amerikaanse machines. De VS kunnen China dus nog lelijk dwarszitten.

‘De VS controleren de bron: zij kunnen ons de keel dichtknijpen’, zegt Sam Wu, de ingenieur van XTX Technology, naast een glazen uitstalkastje met een tiental geheugenchips. ‘Bij chips zijn heel veel aanvoerketens betrokken, en voor veel delen daarvan is er nog geen Chinees alternatief. Bedrijven als Samsung en ASML zijn veel verder dan ons, maar zij hebben daar decennia over gedaan. Dat is niet iets wat je kunt bereiken door er veel geld tegenaan te gooien. Dat is veel te complex.’

Het probleem is ook dat de ontwikkeling van chips enorm veel geld kost, en pas jaren later iets opbrengt – of niet. ‘De buitenlandse concurrentie staat ook niet stil’, zegt Dong Peng van Uniwatt Technology, dat chips voor satellieten maakt. ‘SMIC kan een miljard investeren en daarmee 12 nanometer bereiken, maar tegen die tijd is de standaard misschien al 7 nanometer. Als je op achterstand staat, kun je alleen maar blijven investeren, zonder garantie dat je iets terugverdient.’

Een mogelijke valkuil voor de Chinese overheid is dat de overvloed aan subsidies ook tot veel misbruik en verspilling leidt. In de eerste negen maanden van dit jaar registreerden meer dan 13 duizend Chinese firma’s zich als microchipbedrijf, velen zonder enige ervaring. ‘De meeste komen af op de opwinding’, zegt Guo Shi, die zich op de beurs voorstelt als zelfstandig consultant. ‘Ze komen gewoon hun zakken vullen.’

Samen optrekken

En toch, in het verleden is al gebleken dat Chinese techbedrijven niet te onderschatten zijn. Op basis van beperkte buitenlandse knowhow over hogesnelheidstreinen, kerncentrales of satellieten slaagden ze erin de technologie na te bouwen, tot een punt waarop ze die nu zelf exporteren. Overheidssteun was daarbij telkens een bepalende factor. Ook al zijn de Amerikanen vast van plan dat niet nog een keer te laten gebeuren, het zou niemand verbazen als het de Chinezen toch lukt.

Op een laag niveau lijkt het effect van de techoorlog al zichtbaar: uit noodzaak slaan Chinese bedrijven de handen in elkaar, waardoor ze elkaar versterken. ‘Normaal werken we alleen met Taiwanese fabrikanten, want hun technologie is stabieler’, zegt Li Bo van ChipBetter, dat chips voor geluidsversterking maakt. ‘Maar sinds de handelsoorlog vragen sommige klanten dat we binnenlandse chips gebruiken. We proberen onze chips nu zo te ontwerpen dat we binnenlandse fabrikanten helpen.’

Cecilia Liangs bedrijf On-Bright ­gebruikte tot nog toe alleen Amerikaanse software, maar is op aanmoediging van het ministerie van Industrie en Informatietechnologie ook met Chinese software aan het experimenteren. ‘Voorlopig loopt Chinese software nog achter, maar er zijn initiatieven om de ontwikkeling te versnellen’, zegt ze. ‘Als dat gebeurd is, zullen we meer Chinese software gebruiken. Het is een elkaar versterkend proces.’

De chipmakers op de beurs lijken het erover eens: het zal tijd vragen, het zal moeilijk zijn, maar uiteindelijk komen ze er wel. ‘Tussen alle ­obstakels kun je ook kansen vinden’, zegt Sam Wu. ‘De beperkingen zijn een stimulans om de binnenlandse ontwikkeling te versnellen. Ik denk niet dat we over vijf jaar al op het niveau van Silicon Valley zitten, maar er zal vooruitgang zijn. Op korte termijn is dit een grote klap, maar op lange termijn brengt het nieuwe mogelijkheden.’

Meer over