Met z'n allen voor de vuist weg

Een pot bier kostte Bach zes pfennig, naar onze maatstaven een gulden of drie. Voor wijn legde hij twee tientjes de liter neer, zeg drie groschen en twee pfennig....

Met een gastoptreden scoorde Bach, naar huidige euro-koers, op zijn 28ste al achttienhonderd gulden (12 reichstaler), maar musiceren bij een uitvaart leverde in Leipzig niet meer op dan zo'n 150 bruto. Wel meer dan wat een modale doodgraver in de achttiende eeuw verdiende (vier tientjes). Een volwassen hulp in de huishouding (tientje per dag) zou zelden de bladmuziek kopen van Bachs Clavier-Übung (71 euro).

Het zijn details, maar bekoorlijke details. Johann Sebastian Bach, het monumentale Bachportret van Christoph Wolff waarvan volgende week een uitmuntende Nederlandse editie verschijnt, is een boek waarmee je in een oogwenk bevriend raakt. Zijn leven, zijn muziek, zijn genie, is de nieuwe ondertitel van de monografie, die vorig jaar in het Engels uitkwam onder het niet onjuiste motto The learned musician.

Niet alleen de ondertitel veranderde. Wolff heeft het tussenliggende jaar gebruikt voor correcties en verduidelijkingen. Nieuwe illustraties zijn toegevoegd. Gesust door Bachkenner Clemens Romijn, coördinator van het Nederlandse vertalersteam, is de man uit Massachusetts ook akkoord gegaan met een nieuwe indeling van zijn boek. Potige hoofdstukken ('Een eerbiedwaardig ambt - Leipzig 1723-1730') verdelen zich in sub-hoofdstukjes ('Anna Magdalena, tussen moederschap en zangcarrière'). Het komt de helderheid ten goede.

Overigens wisten we natuurlijk al dat Bach bij zijn aanstelling in Leipzig werd gepiepeld, hij bleek de helft te verdienen van wat hem werd voorgespiegeld. Het slachtoffer vermoedde dat het salaris van een andere muziekfunctionaris ten koste ging van het zijne. 'En daar had hij waarschijnlijk gelijk in', schrijft Wolff, die de toenmalige bestuurders in Leipzig intussen ook ruimte biedt voor hun ontkenning.

Wat niet veranderde in de nieuwe Nederlandse uitgave, was Wolffs intentie. Die is, in weerwil van de dertig jaar Bachstudie die hij investeerde, bescheiden op het nederige af. De Harvard-professor voelde zich er nog steeds 'niet helemaal klaar voor', biecht hij op in zijn voorwoord. 'Sterker nog', meldt hij in een acte van boeddhistische zelfwegcijfering, 'ik ben ervan overtuigd dat het onrealistisch is een serieuze studie te willen schrijven die zowel het leven als het werk van Bach bestrijkt.' Het is een 'wetenschappelijk bijna onmogelijke onderneming'.

Niet alleen het tekort aan feitelijke gegevens over Bachs levensloop drijft een biograaf tot schreeuwende wanhoop, ook voor andere dreigingen moet hij beducht zijn. De Bachforschung heeft wereldwijd zo'n enorme vlucht genomen, dat er steeds nieuwe randinformatie gepubliceerd en geïnterpreteerd wordt. Een Bachboek is bij wijze van spreken al achterhaald voor het uitkomt. 'Niemand kan zich ooit werkelijk een Bachkenner noemen', zucht, bijvoorbeeld, ook de Bachminnaar en vrijetijds-Bachexpert Maarten 't Hart, in een bundel Bachopstellen.

Evengoed heeft Wolff er 600 pagina's voor uitgetrokken, en die lezen beslist anders de gemiddelde studie over 'Der Name Bach in het kadaster 1857 van de stad Köthen'. En zeker ook anders dan (pakweg) de Cöthener Bach-Hefte van 1983 over vorst Leopold von Anhalt-Cöthen, een van Bachs werkgevers. De prinselijke personage, toehoorder van menig cantate, ouverture en Brandenburgs Concert, is tot de vezel doorgelicht ('In Venedig besuchte L. Opern und Komödien zu St. Cassane, St. Sophia, St. Christoforo, ''welche vor die Beste gehalten wird'' (J.C. Beckman), und St. Samuel. Auf diese grundlegende Geschmacksprägung weist dann die Anstellung des Hofkapellmeisters Stricker 1713/17, der in Köthen bei Löffler 1715 sechs italienische Kantaten in Druck gab').

Onmogelijk dit soort observaties over te doen in een boek dat behalve betrouwbaar ook leesbaar wil zijn. Maar je kunt er gif op innemen dat ze in het brein van Wolff liggen opgeslagen.

En dan komt er bijvoorbeeld uit, dat het goede vorstendom Köthen dikwijls 'koeie-Köthen' werd genoemd. Zelfs voor Bach, toch al geen wereldreiziger, voelde het boerenvorstendommetje kleiner en meer afgelegen dan Arnstadt of Weimar, waar Bach eerder werkte. Nog een geluk dat de postkoets van Hamburg naar Leipzig in Köthen stopte. Bach van zijn kant, en dat is ook weer aardig gezien, zal weer de opwinding hebben gehad van het meereizen met de prins naar zoiets mondains als de baden van Karlovy Vary, vakantieoord voor de Europese aristocratie. Heerlijk trouwens, om de dienstreisjes en orgelkeuringstrips die het intellect tussen zijn achttiende en zijn 65ste maakte allemaal op een rijtje te zien in een tabel. Wolff noemt er 45, en het zullen het er in die 47 jaar misschien wel meer zijn geweest, maar nu weten we in ieder geval dat men maar van 45 afweet.

'Wat was een ei waard. Wat stelde een benoeming voor, hoe moeten we een beloning zien, wat betekende een connectie, hoe zwaar moeten we aan een conflict meer of minder tillen.' Het zijn de verzwegen, maar immer aanwezige vragen die Wolff bezighouden. De reünies van de Bachfamilie komen kort ter sprake, bijeenkomsten van zeg maar de oer-Bachvereniging, van cantors, organisten en stadsmusici, zonen en kleinzonen van Hans Bach, nazaat van Veit Bach. Die feesten die begonnen met koraalzang, waarna men schielijk overging tot 'populaire liederen', deels komisch, deels gewaagd, 'met zijn allen voor de vuist weg, maar zo dat die geïmproviseerde stemmen toch een harmonie vormden, terwijl ieder ook nog andere woorden zong' (Wolff citeert Bachs eerste biograaf Forkel). 'Ook bij hen die hen bezig hoorden, kwam een even hartelijke en uitbundige vrolijkheid op.'

Iets, maar niet veel méér ruimte besteedt Wolff aan de roemruchte, toevallig in verschillende brieven en gemeentestukken overgeleverde, en daardo in menige Bachbiografie tot formidabele proporties opgeblazen prefectenstrijd. Een tamelijk ordinaire ruzie die muziekmeester Bach in Leipzig uitvocht met de rector van zijn Thomasschule, die het bestaan had achter Bachs rug een hulpdirigent aan te stellen - Wolff vlecht de episode losjes in, zonder verdere speculatie of polemiek.

Wat was Bach zelf waard, wat stelde hij voor in de ogen van tijdgenoten. Dat is de tweede, minder verborgen hoofdlijn. Het blijkt, volgens Wolff, links en rechts en van noord naar zuid nogal mee te vallen met de waardering voor de man-van-de-praktijk, die de harmonie en het contrapunt huldigde als takken van wetenschap - en die in sommige achttiende-eeuwse ogen doorging voor de Newton van de muziek. Het semiromantische beeld van de onbegrepen, immer aan koeionering blootgestelde Bach (de Duitse documentairemaker Klaus Eidam blies het nieuw leven in met zijn vorig jaar verschenen Bachboek, wild in het rond keffend naar alle Christoph Wolffs die het niet zien willen) valt bijna geruisloos uiteen, ook weer zonder polemiek. Klaus Eidam is lucht voor Christoph Wolff.

Voor gepassioneerde observaties moeten we bij Bachvriend 't Hart zijn, die in zijn recente bundel niet alleen tranen laat biggelen bij cantate-aria's en fluitsonates (hoofdstuk: 'Zelf Bach spelen'), en engagement laat spreken over familiezaken ('Ach, ach, wat moet die zoon verschrikkelijk zijn geweest voor vader Bach'), maar die ook markant uit de hoek komt op terreinen waar hij als schrijver van huis uit kijk op heeft. Over de briefschrijver Bach, nederiger dan nederig en kronkeliger dan kronkelig: 'Frank en vrij, Bach kon niet schrijven'.

Over de bedroevende teksten in Bachs cantates: 'Kreupelrijmen, dwaze neologismen; onaangename wraakzucht, en dat onophoudelijk vermelden van de satan.' Tintelende lectuur, al mag worden aangetekend dat de krullaria in Bachs correspondenties, juist waar ze aan vrienden of gelijken zijn gericht, ook op parafrase en ironie kunnen wijzen. Zoals de uitdrukking van een Bachportret nors genoemd kan worden, maar, bekeken met andere ogen, voor hetzelfde geld goedmoedig kan heten.

Niet Bach, maar wel verwijzend naar het leed van de oogpatiënt Bach is het 'portret' van de staar-operatie die de Utrechtse Bachauteur Rob van der Hilst gestopt heeft in zijn boekje 1750 - Het laatste jaar van Johann Sebastian Bach. Hierin, behalve een licht speculatief verslag van de operatiegruwelen en de 'medische zorg' die Bachs dood vermoedelijk heeft verhaast, ook een beschouwing over de 'onvoltooidheid' van de Hohe Messe (die niet onvoltooider blijkt een tafel waarvan de randen nog niet zijn geschuurd). Leerzamer is het andere Bachboek dat dit jaar verscheen van Van der Hilst: Een engel uit de hemel, over driehonderd jaar Bachsporen in Nederland. Wisten we wel, dat Simon Bach uit Pferdingsleben soldaat werd in Nederland en naar Batavia voer; en dat Christoph Wolff een Nederlandse moeder heeft?

Meer over