Met verplicht vak wiskunde gaat veel talent verloren

Een gevoel van woede en onmacht overvalt mij als ik lees over de plannen van het verzwaarde wiskundepakket voor alfa's in het vwo....

Ik zelf ben hét voorbeeld van iemand die door deze maatregelen nu nog niet in het bezit zou zijn van mijn havo-diploma. En dat terwijl ik twee jaar geleden nog slaagde met één van de hoogste gemiddelden van mijn jaar. Ik had het zogenoemde 'alfa-pakket'. Vier talen plus geschiedenis en aardrijkskunde.

Ik heb geen vwo gedaan, omdat ik een zogenoemde 'wiskunde-krater' heb. Zoals mijn bijlesleraar voor wiskunde zei: 'Ik kan wel elke dag komen, maar dat heeft bij jou toch geen zin.' Mijn cijfer voor wiskunde was in havo-3 zo extreem laag dat ik officieel niet eens naar havo-4 mocht. Ondanks mijn achten en negens voor andere vakken. Op één onvoldoende blijven zitten, een belachelijke situatie! Omdat ik in wiskunde toch geen eindexamen zou doen, kreeg ik voor wiskunde een vier.

Niet goed zijn in het vak wiskunde, betekent niet dat iemand dom is of totaal geen inzicht heeft. Integendeel, er is wel degelijk mathematisch inzicht nodig om je door de grammatica van vier verschillende talen te worstelen. En een talenpakket is alles behalve een 'pretpakket'. Het lezen van twintig Nederlandse boeken, 1600 pagina's Duitse literatuur, 1600 pagina's Engelse literatuur en 1000 pagina's Franse literatuur plus het vinden van goede secundaire literatuur bij alle boeken is veel werk. Daar is meer voor nodig dan alleen goed zijn in talen.

Als alfa's verplicht wiskunde moeten volgen, lijkt het mij logisch dat de bèta's verplicht worden gepest met een taal als Frans, Duits, Spaans of taal van de toekomst Russisch! Dat is handig als ze nog eens buiten Nederland komen. Want er zijn maar weinig plaatsen waar je met cijfers kunt communiceren.

UTRECHTMarije Lieuwens

Vormende waarde

Bij de discussie over de invoering van de Tweede Fase in de bovenbouw van het voortgezet onderwijs krijgt het vak wiskunde een meer dan evenredige belangstelling ten opzichte van andere vakken die volgens de wet gelijkwaardig zijn. Er is waarschijnlijk geen ander vak waarbij men zulke uitgesproken meningen heeft over de waarde ervan.

Voorop lopen de mensen die een rotsvast geloof hebben in wiskunde, dat zij zien als het middel bij uitstek om de mensheid vooruit te helpen. Zonder wiskunde wordt het leven een nauwelijks begaanbaar pad, houden ze jongeren voor. Om hun woorden kracht bij te zetten, werpen ze voor de ongelovigen allerlei barricaden op om een bij hun talenten passende vorming in het hoger onderwijs onmogelijk te maken.

Maar waarover hebben we het als we het woord wiskunde in de mond nemen? De betekenis van de wiskunde was vijftien jaar geleden voor eenieder duidelijk. Dit gold ook voor wiskunde 1 en wiskunde 2, die bij de invoering van de Mammoetwet in 1968 het wiskundeonderwijs bepaalden in het vwo.

Wiskunde 2 was bedoeld als uitgebreide wiskundige vorming voor zeer getalenteerde leerlingen. Beide vakken hebben het slechts één decennium uitgehouden: voor wiskunde 2 was de belangstelling gering; wiskunde 1 ging ter ziele omdat het voor een groot deel van de alfa-gerichte leerlingen te moeilijk was. Aangetoond was dat wiskunde niet voor iedereen is weggelegd.

Als men het over de inhoud van beide vakken heeft, dan heeft men het over wiskunde als het vak waarbij je inzicht krijgt in abstracte structuren, gegeven door vergelijkingen en ongelijkheden en waarbij je leert met deze abstracties om te gaan. Je leert logisch denken door een wiskundige eigenschap op correcte wijze af te leiden uit definities en bewezen stellingen. Eenieder is het hierover eens, de inhoud van dit vak heeft een vormende waarde, je leert er wiskundig denken.

Uiteraard heeft de samenleving grote behoefte aan zo opgeleide mensen. We moeten echter niet doordraven door iedereen met wiskunde te willen belasten.

In de jaren tachtig kwamen de vakken wiskunde-a en wiskunde-b. Wiskunde-b heeft dezelfde kenmerken als de voornoemde vakken, waarbij de inhoud grotendeels overeenstemt met die van wiskunde 1.

Wiskunde-a daarentegen bestaat voor 40 procent uit statistiek en kansrekening, een onderdeel waarvan ieder het nut inziet, zeker in het licht van de vervolgstudies. Maar de tweede component, 60 procent, bestaat uit wiskunde of wat daarvoor moet doorgaan. Het heeft in elk geval niets te maken met de kenmerken van wiskundeonderwijs.

Er is geen vak dat het predikaat pretvak meer toekomt dan wiskunde-a, als een b-leerling dit vak volgt. Hij hoeft er nauwelijks iets voor te doen om met hoge cijfers dit vak af te ronden. Voor een a-leerling kan het een nuttig vak zijn, maar het heeft niet de specifieke kenmerken die aan wiskunde werden toegekend.

Als collegevoorzitter J. Veldhuis van de Universiteit Utrecht waarschuwt tegen de 'versofting' van het voortgezet onderwijs, dan is wiskunde geen tovermiddel om dit tegen te gaan. En als Netelenbos praat over het leren ordenen van gedachten, heeft een alfa-leerling dan niet veel meer baat bij de syntaxis van een taal dan bij het chaotisch omgaan met niet begrepen formules? Wiskunde voor alfa's, weg ermee.

NOORDWIJKERHOUT

Th. Buurman

Geschiedenis

'Laten we zorgen dat alfa's nog door wiskunde voeling houden met de gamma- en bèta-wetenschappen', aldus het Tweede-Kamerlid Van de Camp (CDA) in het debat over de hervorming van havo en vwo. Een verstandige opmerking.

Kamerleden zouden dan evenwel ook moeten stellen: laten we zorgen dat de bèta's nog door geschiedenis voeling houden met de alfa-wetenschappen. Helaas gebeurde dat niet. En zo studeren straks jongeren af in de twee exacte profielen zonder behoorlijke historische vorming.

Daarmee ontneemt de wetgever jonge bèta's de mogelijkheid hun identiteitsvorming ook in een historische dimensie te plaatsen.

Jammer. Immers als we proberen te zeggen wie we zijn, wat onze identiteit is, heeft dat alles te maken met onze relatie met het verleden. We beseffen kennelijk niet dat het bij het vak geschiedenis om meer gaat dan om mooie dingen zoals kennis of politieke en culturele vorming.

DEN HAAGJ.C.M. Greep

Filosofie

Aan de vage argumentering voor invoering van het vak filosofie op de middelbare school is aan alle kanten af te lezen dat zij met name afkomstig is van lieden uit de jaren zestig die weer eens radicaal willen democratiseren en het vak zelfs verplicht willen stellen.

Na de moderne pedagogiek - die zich altijd op de domste van de klas richt - willen zij ons nu ook nog opzadelen met een of andere verwaterde variant van filosofie. Dat al te drastisch democratiseren alleen maar banalisering in de hand werkt, is hun al dertig jaar lang ontgaan.

In haar nieuwste bundel essays schrijft de filosofe Patricia de Martelaere dat sommige filosofen net zendelingen zijn die hoognodig iets moeten uitdragen. Vele van hun vraagstellingen hebben iets gratuits of zelfs belachelijks, schrijft zij, en toch kunnen zij het slecht verdragen dat niet alle mensen op elke straathoek omvallen van louter verwondering. Is het niet veel eenvoudiger als die mensen gewoon doorlopen, vraagt zij zich af. 'Filosofie is voor mensen die het niet kunnen laten, al maakt het hen niet beter of wijzer, en zeker niet gelukkiger.'

Alleen bij het argument over het aankweken van meer maatschappelijk verantwoordelijkheidsbesef bij middelbare scholieren, door middel van het vak filosofie, kun je je concreet iets voorstellen. Maar ik deel dat argument voor invoering niet.

Het voortdurend hameren op individuele verantwoordelijkheden heeft in een samenleving waarin het individu een steeds minder beslissende rol speelt, iets van het paard achter de wagen spannen. Het leidt de aandacht af van grootschaliger ontwikkelingen en hun gevolgen, zoals de commercialisering en de invloed daarvan op wetenschap en media. Niet filosofie, maar feitenkennis helpt daartegen het beste.

Ik vrees dat het vak filosofie zal uitdraaien op veel oppervlakkig abstract gezwam, en op meer politieke correctheid en meer fatsoensrakkerij. In het onderwijs kan beter eens eerst grondig het kaf van het koren gescheiden worden, alvorens weer allerlei nieuws aan te bieden.

En dat wat daarna nog aangeboden wordt, moet béter zijn en vooral ook beter op elkaar worden afgestemd. Het kan echt geen kwaad als de vakken Nederlands en geschiedenis eens iets met elkaar te maken blijken te hebben.

NIJMEGENPaul Ophey

Meer over