bericht uitBerlijn

Met kinderwagen over de begraafplaats slenteren: in Berlijn is het heel normaal

Met lichte gêne en een beker koffie in mijn hand wandelde ik zes jaar geleden voor het eerst de begraafplaats naast mijn huis op, omdat ik had gezien dat Duitsers dat doen: wandelen op begraafplaatsen, ook als daar geen voorouderlijk graf is om te bezoeken. Ze hebben een boek onder hun arm, een kind in de kinderwagen of een verrekijker voor de vogels.

Op een begraafplaats aan de Bergmannstrasse in Berlijn. ‘Elk paadje heeft hier z’n eigen mysterie.’ Beeld Daniel Rosenthal
Op een begraafplaats aan de Bergmannstrasse in Berlijn. ‘Elk paadje heeft hier z’n eigen mysterie.’Beeld Daniel Rosenthal

In Nederland zou ik nooit op het idee zijn gekomen om zomaar een begraafplaats te bezoeken. Misschien is mijn beeld bepaald door het graf van een van mijn opa’s, dat uitkijkt op de blinde muur van indoorskipark Snow World in Zoetermeer, maar ik heb het idee dat de graven er vaak net zo efficiënt zijn ingepuzzeld als huizen in een gemiddelde woonwijk.

Nee, dan de Friedhöfe an der Bergmannstrasse. Dat is door Nederlandse ogen dus meer een bos met graven erin. Nergens staat een bordje met wat er wel en niet mag – dat is bijzonder in Duitsland – maar er zijn wel ongeschreven regels. Op een Friedhof houdt niemand een verjaardagsfeestje of yogasessie, zoals in reguliere Berlijnse parken.

Tijdens de lockdown deze winter speelden twee oudere vrouwen cello tussen de Pruisische praalgraven. Hun blikken even streng als de anderhalve meter afstand tussen de klapstoelen. Wat ze speelden heb ik niet herkend, of niet onthouden. Wel mijn gedachte dat de klanken de nabijgelegen heren Geheimrat, Oberarzt en Regierungsbaumeister best hadden kunnen bekoren. Duitse mannen werden, en worden soms nog, begraven met hun beroep en titel.

We wonen er allang niet meer naast, maar mijn zoon weet niet beter of deze begraafplaats is gemaakt om over te wandelen. Terwijl hij eekhoorns zoekt of dennenappels in een regenplas laat vallen, bekijk ik een overwoekerd mausoleum van zwart marmer, waar kortgeleden een verslaafde heeft gelogeerd, getuige de snippers aluminiumfolie. Ik lees flarden Berlijnse familiegeschiedenis. Over een adellijk geslacht dat in 1903 een wit praalgraf bouwde voor de op 2-jarige leeftijd gestorven Elisabeth, of over een advocatenfamilie waarin iedereen, ongeacht twee wereldoorlogen, ouder dan 100 werd.

Door Nederlandse ogen is deze begraafplaats meer een bos met graven erin. Beeld Daniel Rosenthal
Door Nederlandse ogen is deze begraafplaats meer een bos met graven erin.Beeld Daniel Rosenthal

Elk paadje heeft hier z’n eigen mysterie: wie was de man onder de steen met de naam ‘Türke Willi’ (Willi de Turk)? Wanneer leefde ridder Otto van Ottenfeld? En zou ‘Mutti Schmidt’ op eigen verzoek als moeder begraven zijn, of waren haar nazaten even vergeten dat ze ook een mens was met een naam?

Getuige de kogelgaten in de grafstenen is er in 1945 gevochten op de begraafplaats aan de Bergmannstrasse. Mijn vriend, die een fotografisch oog heeft, ontdekte iemand die 55 jaar na zijn dood precies in het hart werd geraakt. Dwars door het marmer. Ik probeerde me in te denken hoe soldaten van de Wehrmacht de stad, in hun ogen misschien de laatste snipper van Hitlers Duizendjarig Rijk, verdedigden tussen overleden stadgenoten, wetend dat ze waarschijnlijk binnenkort ook aan hun kant van de aardbodem zouden liggen.

Pas voor het schrijven van dit stuk kwam ik op het idee om te googlen wat de Duitsers zelf van hun begraafplaatsen vinden. Blijkt dat er een lobby gaande is om de Friedhofskultur in 2030 tot materieel en immaterieel Unesco-erfgoed te laten verklaren. Het lijkt me een goede zaak, want in Berlijn woekert de bouwwoede en zijn ook stukken grond met een monumentale status niet meer veilig voor investeerders. En vooral omdat de Duitse Friedhöfe vanwege het gemengde gebruik niet memento mori ademen, maar eerder ‘gedenk te leven’.

Meer over