bericht uitistanbul

Met een fiets uitgedost als een stadstank door Istanbul: ‘Hier geldt in het verkeer: grote vis eet kleine vis’

Rob Vreeken
Selçuk Gönel heeft zijn fiets voorzien van beschermkappen, een batterij aan flikkerlichten en een reeks andere accessoires.  Beeld Rob Vreeken
Selçuk Gönel heeft zijn fiets voorzien van beschermkappen, een batterij aan flikkerlichten en een reeks andere accessoires.Beeld Rob Vreeken

Fietsen in Istanbul is als schaatsen in Saoedi-Arabië: heerlijk om te doen, maar alleen verantwoord op de schaarse plekken waar de overheid een traject heeft aangelegd.

Rijwielen zijn zo goed als afwezig in het straatbeeld van de Turkse metropool. Turken fietsen niet, zo simpel is dat. Althans, niet uit praktische overwegingen, om van punt A naar punt B te komen. Sommige avonturiers doen het in het weekend om sportieve redenen, veelal groepsgewijs op mountainbikes, gekleed in strakke rennerspakjes. Maar ook dan geldt: waar in hemelsnaam kun je fietsen in Istanbul?

Een eerste obstakel is het klimwerk. In de ‘stad met zeven heuvelen’ moet er geregeld stevig aangezet worden. Een groter probleem is het bijna volslagen gebrek aan voorzieningen voor de fietser. Fietspaden? Bekijk het maar. De stad is ingericht op de auto, daar zul je het als fietser mee moeten doen.

Zelf heb ik een vouwfiets. Geregeld ben ik – hoe gek is de eenzame fietser? – te zien op de autovrije winkelstraat Istiklal, slalommend tussen de winkelende menigte. Maar ook waag ik me in de gekte van de Istanbulse autojungle, die zo druk is dat er zelden hard wordt gereden. Handig voor langere afstanden is de combinatie van fiets en de voor vouwfietsen toegankelijke metro.

Eigenlijk is fietsen in Istanbul een ‘ramp’, zegt Ayça Aldatmaz (35), ook bezitter van een vouwfiets. ‘Toch ga ik zoveel mogelijk, ik hou ervan. Als fietser ben je vrij, je hoeft nergens over na te denken.’ Mannen in Istanbul kijken volgens haar wel vreemd op van een vrouw op de fiets, anders dan in sporttenue. Maar lastig gevallen wordt ze niet. ‘Ze kunnen naar je kont kijken, dat vinden ze mooi.’

Een van de weinige fietsbare plekken is langs de Zee van Marmara aan de Aziatische kant. Een mooi rijwielpad loopt daar door een tientallen kilometers lang groen lint aan het water. Het is een van de routes van zondagfietser Arjen Uijterlinde, consul-generaal. Namens Nederland probeert hij zachtjes het fietsen in Turkije te promoten, als onderdeel van het thema ‘leefbare steden’.

‘Daar heb je weer zo’n gekke Hollander’, ziet hij stadsbestuurders met wie hij spreekt weleens denken. Maar sommigen pikken de boodschap op. Zo heeft burgemeester Ekrem Imamoglu diverse stukken verkeersweg verrijkt met borden met daarop de tekst ‘seridi paylas’, rijstrook delen, met een getekende auto en fiets gebroederlijk naast elkaar. Wat dat in de praktijk betekent is te zien op de weg langs de Bosporus op de Europese oever: eindeloze stromen auto’s die tussen hen en de betonrand geen decimeter ruimte laten.

Opeens klinkt het gehinnik van een paard. Het geluid komt uit de speakers van een fiets die rap dan weer over het trottoir, dan weer over de weg scheert. Het is er niet zomaar een, het rijwiel van de 43-jarige barista Selçuk Gönel. Met beschermkappen, tassen, een batterij aan flikkerlichten en een reeks andere accessoires ziet het eruit als een ware stadstank.

‘In het verkeer in Turkije geldt: grote vis eet kleine vis’, zegt Gönel. ‘Empathie bestaat niet. Hoe groter ik ben, hoe meer respect automobilisten voor me hebben.’ Met de telefoon op zijn stuur bedient hij het alarmsysteem, met een keuze uit diverse geluiden: paard, sirene, hond, mitrailleur.

Gönel duikt weer het verkeer in, de weg op. Hij blaft.