Met dna-bank op zoek naar je echte vader

Kinderen die anoniem via de spermabank zijn verwekt, kunnen nu voor het eerst hun biologische vader opsporen met behulp van dna. Sinds 1 december is er een databank waar donorkinderen en spermadonoren zich kunnen inschrijven. Dat gebeurt op vrijwillige basis; donoren die anoniem willen blijven, blijven dat ook.


Voor spermadonorkinderen die vóór 2004 zijn verwekt, was het vrijwel onmogelijk hun vader te vinden. In Nederland is dat slechts een handvol kinderen gelukt. Ze moesten zoeken via donorpaspoorten, waarin summiere informatie over hun verwekker staat.


Tot 2004 werkten spermabanken anoniem, zodat over de vaders weinig bekend was. Bovendien was de administratie bij de meeste spermabanken zeker tot de jaren negentig een sluitpost; donatie was immers anoniem en de - goedbedoelende - artsen deden het vaak naast hun normale werk.


Vooral in de begintijd - kunstmatige inseminatie gebeurt hier sinds 1948 - ging het er niet altijd even formeel aan toe bij spermabanken. Volgens voorzitter Pim Janssens van de Nederlands-Belgische Vereniging voor Kunstmatige Inseminatie kwam het in de eerste jaren ook voor dat artsen ter plekke een rietje met sperma produceerden voor vrouwen. 'Maar het gebeurde wel allemaal uit menslievende motieven.'


Via de nieuwe dna-databank, opgericht door Stichting Ambulante Fiom in samenwerking met de Stichting Donorkind en het Canisius Wilhelmina Ziekenhuis in Nijmegen, kunnen kinderen ook op zoek naar halfbroers of -zusjes. Per donor mogen in principe 25 kinderen worden verwekt. Naar schatting lopen er in Nederland zo'n 40 duizend kinderen rond die zijn verwekt met anoniem zaad.


TV-zender RTL zal een aantal herenigingen tussen kinderen, vaders, broers of zusjes volgen in het programma Wie is mijn vader? Voor de dna-bank hebben zich inmiddels 250 kinderen en donoren gemeld.


Dat ook donorvaders zich aanmelden, is niet zo verwonderlijk als het misschien lijkt, zegt Beryl Dreijer, voorzitter van de Stichting Donorkind, die het initiatief nam tot de dna-bank. 'Spermadonoren zijn vaak heel sociale, hoogopgeleide mannen. Hun motivatie is: als ik iets kan betekenen voor een ander, dan doe ik dat graag. Van sommige horen we dat ze nu zelf kinderen hebben en zich realiseren wat het betekent om geen vader te hebben. Ook komen donoren naar ons toe die zelf geen kinderen hebben kunnen krijgen.'


Volgens haar hebben veel donorkinderen grote moeite te accepteren dat ze nooit zullen weten wie hun vader is. 'Het is belangrijk voor de vorming van je identiteit. Ik ken kinderen die zich op straat regelmatig afvragen: goh, zou jij mijn vader zijn? Of jij? Of jij? Met name kinderen die het pas laat in hun leven horen, hebben er problemen mee. Kinderen die het al hun hele leven weten, zijn meestal vooral nieuwsgierig.'


Voor aanmeldingen, zie


Cornelis de Jong (64). Zaaddonor in het ziekenhuis in Apeldoorn, eind jaren '70. Voorheen buschauffeur.


'Sinds ik zaaddonor ben geweest, heb ik altijd een stille hoop gehad dat er een keer een kind op de stoep zou staan. Ik heb twee zoons, maar ik hoop er nog eens een dochter bij te krijgen. Het heeft al die tijd in mijn hoofd gezeten. Vooral als ik naar programma's als Spoorloos keek. Dan dacht ik soms: potverdorie, ik wou dat ze bij mij aan de bel hingen.


'Over de spermabank wordt vaak lacherig gedaan. Ik hoorde vaak: dan komt er zeker zo'n lekkere zuster naar je toe? Maar zo ging het niet. Ik deed het thuis en daarna ging ik vliegensvlug naar het ziekenhuis. 's Ochtends om 7 uur zag ik de vrouwen al zitten die om 8 uur een afspraak hadden met de gynaecoloog. Toen werd het zaad nog niet ingevroren.


'Het voelt goed dat ik dit voor een ander heb kunnen doen. Ik heb het twee jaar gedaan. Ik hoorde dat het minstens vijf keer resultaat heeft gehad, maar dat weet ik niet zeker. Destijds heb ik er een halve minuut over nagedacht of ik het zou doen. In mijn familie is het heel normaal om te helpen. Net als bloeddonor of weefseldonor zijn. Ik deed het voor niks. Toen ik stopte, kreeg ik 50 gulden.'


Emi Stikkelman (26), coördinator studentenzaken Hogeschool Utrecht:


Verwekt bij: kliniek in Leiden.


'Toen ik drie was, vroeg ik aan mijn moeder: is mijn vader dood? In eerste instantie zei ze dat ze daar even over moest nadenken. Daarna vertelde ze me dat ze door een hele aardige man was geholpen. Stukje bij beetje heeft ze me het hele verhaal verteld. Mijn moeder is er altijd open over geweest. Zelf heb ik er ook nooit een geheim van gemaakt dat mijn vader donor was. Ik ben er als kind maar één keer mee gepest. Toen heb ik diegene het hele sportveld achterna gezeten en was het afgelopen.


'Mijn moeder zegt vaak dat ik het beste ben dat haar in haar leven is overkomen. Van mijn vierde tot mijn zesde heb ik in een pleeggezin gezeten omdat ze toen niet voor me kon zorgen. Mensen vragen zich wel eens af of die donatie nu nog zo zou kunnen. Nu wordt er naar de stabiliteit van het gezin gekeken. Maar ik heb mijn moeder nooit iets kwalijk genomen. Ik was honderd procent gewenst. Ze heeft mij altijd op de eerste plaats gezet. Ze houdt heel veel van mij. Anders was ik er niet eens geweest.


'Mijn moeder heeft me altijd gesteund bij het vinden van mijn vader. Op mijn twaalfde vroeg ze mijn donorpaspoort op. In die tijd had ik er heel veel aan om dat te weten. Mijn donor had donkerblond, krullend haar en hij was student psychologie. Het grappige is dat ik als kind al zei dat ik psycholoog wilde worden. Op mijn zestiende ben ik nog bij Spoorloos geweest. Daarna meldde zich een donor, maar hij was het niet.


'Dat ik misschien wel 20 broers of zussen heb, vind ik bijna nog interessanter dan een vader. Zij zitten in dezelfde situatie als ik. Dat ik geen vader had, voelt niet als een groot gemis. Ik weet niet wat het is om een vader te hebben. Wat mis je dan? Een denkbeeld? Maar er ontbreekt wel duidelijk iets.


'Ik zoek hem vooral uit nieuwsgierigheid. Zeker omdat mijn moeder helemaal niet zo is als ik. Door haar ziekte is het leven moeilijk voor haar, terwijl ik van het leven hou en ontzettend ondernemend ben. Ik heb twee eigen bedrijven opgericht. Maar komt dat door mijn jeugd, of heb ik dat van hem? Ik heb wel vaak het idee: goh, wat een leuke man moet dat zijn.'


Bob Bezuyen (61). Donor tussen 1969 en 1979 in ziekenhuis in Haarlem. Voorheen indeler van bemanningen bij de KLM.


'Het begon toen ik een keer een meisje naar het ziekenhuis moest brengen. Bij gynaecologie zag ik een A4'tje hangen waarop zaaddonoren werden gevraagd. De man aan de telefoon had zo'n vriendelijke stem dat ik beloofde langs te komen. We hadden in die tijd een open gezin, een open huwelijk. Mijn vrouw zei meteen: moet je doen. Het paste in die tijd van vrijheid, blijheid.


'Ik noemde het altijd 'jodelen'. In de kamers lagen van die boekjes met blote meisjes. Daar moest ik vreselijk om lachen. Heel soms kwamen er wel rare mensen op af, type vieze man. In Haarlem kwam er altijd eentje die wel anderhalf uur op dat kamertje bleef zitten. Daarmee zat het ziekenhuis wel in hun maag. Maar hij was een uitzondering.


'Ik heb het jarenlang gedaan. De enige reden dat ik meedeed, was dat ik mensen wilde helpen. Ik raakte bevriend met de patholoog-anatoom van het laboratorium, en hielp hem na afloop vaak met het prepareren van sperma. Het zaad uit Haarlem ging volgens mij naar West-Friesland of Friesland, om de kans te verkleinen dat vaders hun kinderen tegen zouden komen.


'Ik heb een vermoeden dat ik veel meer dan 50 kinderen heb. Ik heb per ongeluk wel eens een boek zien liggen waarin het werd bijgehouden. Het lijkt me geweldig om kennis te maken met een kind. Als er echt contact ontstaat: nou, te gek. Ik heb zelf drie kinderen en ik ben gewoon een leuke vader. Met de twee oudsten deed ik vroeger fantastische dingen, zoals pijltjes gooien op de kaart van Nederland en dan afreizen naar die plaats. Mijn jongste kind is 1 jaar en 8 maanden.


'Als ik me verplaats in de donorkinderen, dan kan het voor hen ongelooflijk belangrijk zijn om een beeld te hebben van hun biologische vader. Het kan hen innerlijke rust geven. Als ik daarbij kan helpen, doe ik dat graag. Voor mij is het een kleine moeite.'


Moniek Wassenaar (29), psycholoog, gepromoveerd arts, in opleiding tot psychiater.


Verwekt bij: kliniek in Barendrecht.


'Ik werd vroeger op straat vaak voor Bridget Maasland aangezien, in de tijd dat ze nog bij TMF werkte. Later heb ik wel eens gedacht: zou haar vader...? In mijn gedachten is mijn vader inmiddels een enorm leuke vent geworden. Een blonde god, een Noorse viking.


'Pas op mijn 24ste ben ik erachter gekomen dat ik een donorkind ben. Mijn moeder had destijds een man die gesteriliseerd was en dus geen kinderen meer kon krijgen. Toen ze mij kreeg, hebben ze iedereen wijsgemaakt dat zijn operatie was teruggedraaid.


'Ik heb altijd gevoeld dat er iets niet klopte. De man van mijn moeder was nooit echt blij met me. Ik voelde me onwelkom. Hij was jaloers op de aandacht die ik kreeg van haar. Op mijn zevende zijn ze uit elkaar gegaan. Daarna moest ik eens in de twee weken naar hem toe.


'Die bezoeken waren verschrikkelijk. Ik kwam compleet gestresst terug van die weekenden, met afgebeten nagels. Hij toonde geen enkele interesse in me, en vertelde me verhalen over zijn liefdesleven die heel schadelijk waren voor een 7-jarige. En toen ik ouder werd, keek hij naar me op een manier zoals een vader niet naar zijn kind hoort te kijken. Hij had eigenlijk alleen belangstelling voor me als het over mijn modellenwerk ging, wat ik toen als bijbaantje naast mijn studie deed.


'Mijn moeder zag dat wel, maar toch stimuleerde ze me om naar hem toe te gaan. Al die tijd heeft ze niets gezegd. Bij de spermabank had ze hem destijds gezworen het nooit aan iemand te vertellen. Ik had een heftige, intense band met haar. Ze had een vervelend verleden en wilde een kind om alsnog gelukkig te worden. Pas een jaar nadat ik definitief had besloten hem nooit meer te zien, heeft ze het me toch verteld.


'Mijn eerste gedachte was: oh, yes, mijn vader is niet mijn vader, dan heb ik al die slechte eigenschappen ook niet. Ik had al die tijd zitten wachten op het moment dat zijn karaktereigenschappen bij mij zouden opduiken. Na ons gesprek leefde ik mee met mijn moeder. Pas daarna kwam de woede en het verdriet. Ik heb vijf jaar een slechte band gehad met mijn moeder. Nu gaat het iets beter. Ik ben ook nog naar hem toegegaan. Hij werd vreselijk boos en zei alleen maar: eruit. Daarna sms'te hij me: je bent nog rotter dan je moeder.


'Ik heb hier last van gehad, vooral in relaties. Daarvoor heb ik hulp gezocht. Tijdens de opnamen van het tv-programma over donorkinderen viel het me op dat drie van de zes donorkinderen een moeder hadden met psychische problemen. Maar ik wil niet te negatief zijn over haar.


'Mocht ik mijn vader ontmoeten, dan ga ik er niet zomaar vanuit dat het een hechte band zal worden. Wat ik zoek, is herkenning. Wat heb van hem, en wat is van mezelf? Mijn moeder was kleuterleidster, ik ben gepromoveerd arts. Ik merk dat ik tegen dingen aanloop in het leven waar ik niet goed raad mee weet. Omdat ik niet weet waar ik vandaan kom.'


Meer over