Met dank aan een ambitieuze vader

Het duurde 46 jaar, maar op 26 februari 2010 kreeg Sjoukje Dijkstra eindelijk een opvolgster. Alleen stond die niet op kunstschaatsen. Snowboardster Nicolien Sauerbreij bracht Nederland eindelijk een tweede olympische titel die niets met traditionele noren te maken had.


De eerste Sjoukje was tevreden met de tweede. Ze hadden als pioniers genoeg raakvlakken. Tal van successen boekten de Nederlandse olympiërs tijdens de Winterspelen, maar alleen als langebaanschaatsers. Dijkstra en Sauerbreij doorbraken de traditionele sportcultuur. Ze werden Sjoukje en Nicolien. Hun succes was een aaneenschakeling van toevalligheden en vooral te danken aan twee ambitieuze vaders.


Het is in de 21ste eeuw bijna een doorn in het oog van de beleidsmakers in Nederland. Topsport heeft tegenwoordig nut en waarde. De overtuiging is dat succes zich laat plannen, zolang de beschikbare gelden maar zorgvuldig worden verdeeld.


Een halve eeuw geleden besteedde Lou Dijkstra, huisarts te Amstelveen, al zijn spaargeld aan de carrière van zijn dochter Sjoukje. Daar stelde hij zich geen vragen bij. Het gezin ging niet op vakantie, of het moest een uitje naar een van de internationale kunstrijtoernooien zijn. Het mocht Sjoukje aan niets ontbreken.


Een keer leidde het tot discussie, in 1962, toen dokter Dijkstra zijn talentvolle dochter na haar wereldtitel in Praag probeerde over te halen om een contract te tekenen bij de commerciële ijsrevue. Hij vond de tijd gekomen dat de geld- en tijdverslindende sport meer zou opleveren dan mooie medailles. Ze weigerde. Sjoukje Dijkstra wilde olympisch kampioene worden.


Op haar 6de verjaardag kreeg ze een paar witte kunstschaatsen. Vader Dijkstra was zelf een verdienstelijk schaatser geweest. In 1933 werd hij tweede bij het Nederlands kampioenschap hardrijden en in 1936 nam hij bij de Winterspelen deel aan alle schaatsafstanden.


Er werd nauwelijks over die prestaties gesproken, zou Sjoukje later vertellen. Voor haar voelde het nooit alsof ze de droom van haar vader moest verwezenlijken. 'Mijn ouders hebben me altijd gesteund, maar dat is wat anders dan druk uitoefenen.'


Vader Dijkstra nam zijn dochter mee naar de Apollohal in Amsterdam, waar hij Annie Verlee aan haar jas trok en zei: 'Kijk eens of mijn dochter talent heeft.' Het was 1950, Nederland wist niets van kunstrijden. Het was het stiefkindje der ijssporten. Wie mooi wilde rijden, beoefende het Hollandse schoonrijden, het traditionele zwieren en zwaaien op de bevroren plassen.


Een bezoek van Sonja Henie aan Amsterdam, veertien jaar eerder, had daar weinig verandering in gebracht. Henie mocht de ijsbaan aan de Linnaeusparkweg in Amsterdam-Oost openen. Het werd een galavoorstelling. De Noorse schaatsdiva was op dat moment de absolute ster van het kunstrijden. Annie Verlee, 9 jaar in 1936, liet zich betoveren.


Verlee stond in de jaren vijftig aan de basis van het succes van Sjoukje Dijkstra. Uren brachten ze samen door. Nadat de ijsbaan in Amsterdam was gesloten, verhuisde de trainster naar de Hokijbaan in Den Haag. Sjoukje verhuisde mee.


'Vader probeerde het met zijn werk zo te regelen dat hij me kon brengen en halen. In het weekeinde ging ik met mijn moeder en konden we logeren bij een tante. Schaatsen werd al gauw mijn lust en mijn leven.'


Verlee begeleidde Dijkstra en generatiegenoot Joan Haanappel op hun eerste overtocht naar Engeland. Daar zou de beroemde kampioenenmaker Arnold Gerschwiler zich over de twee talenten ontfermen. Zo had dokter Dijkstra, die het in Den Haag na talloze ruzies voor gezien hield, het geregeld. Sjoukje was net tiener.


Gerschwiler werkte in Richmond alleen maar met kunstschaatssters die zich op jonge leeftijd bij hem aandienden. Die kon hij tenminste slijpen. De rijdsters moesten ook allemaal met een retourticket bij hem komen. Rotte appelen werden onmiddellijk verwijderd.


Het zou Sjoukje Dijkstra nooit overkomen. De samenwerking met Gerschwiler verliep vlekkeloos. Sjoukje Dijkstra ging recht op haar doel af en liet zich niet van de wijs brengen.


Dat Haanappel gracieuzer was dan de krachtige en minder elegante Sjoukje en lange tijd werd beschouwd als de kunstrijdster met de mooiste toekomst, deerde haar niet: 'Talent speelde een rol, maar het is vooral het harde werken dat je naar de top brengt. Ik had er alles voor over.'


Gerschwiler haalde het beste in haar naar boven. Na drie jaar hbs zei ze de school vaarwel. Bijles kreeg ze van leerling-artsen die bij haar vader hun opleiding genoten, of van privéleraren. Trainen, trainen, trainen en nooit tevreden zijn, was haar devies.


Sjoukje Dijkstra: 'Gerschwiler had niet alleen verstand van kunstrijden, maar hij verstond ook de kunst jonge kinderen verantwoord te trainen. Kom daar nog maar eens om tegenwoordig; zie hoe vaak kunstrijdsters geblesseerd zijn. Ik was nooit geblesseerd. Ja toch, één keer. Toen ik 6 jaar was en er per ongeluk een dominee op mijn been was gevallen.'


De kunstrijdster was het troetelkind van Nederland. De tijd was ernaar. Nederland was niet verwend met grote sportsuccessen. De gloriejaren van wielrenner Wim van Est waren voorbij. Abe Lenstra was uitgevoetbald.


Nederland was in die tijd in de ban van de Beatles en de Rolling Stones. Maar ook van Sjoukje Dijkstra en Joan Haanappel, twee tieners nog. Iedereen hing aan hun lippen, het hele land liep uit als ze met hun medailles terugkeerden op Schiphol.


Je moet er bij zijn geweest om het te geloven. Dat de kerk leeg was als zij een belangrijke wedstrijd moesten schaatsen. Dat wie nog geen televisie had zich bij de buren nestelde om maar niets te hoeven missen van de hoge sprongen, de adembenemende pirouettes en de snelle wendingen.


In de periode 1959-1964 werd Sjoukje Dijkstra zes keer Nederlands kampioen en behaalde ze vijf keer de Europese- en drie keer de wereldtitel. In 1964 veroverde ze olympisch goud bij de Winterspelen van Innsbruck, nadat ze vier jaar eerder zilver had gewonnen in het Amerikaanse Squaw Valley.


Sjoukje Dijkstra maakte bijna meteen na haar olympische succes de overstap naar Holiday on Ice. Tenslotte moest er iemand voor haar moeder zorgen. Horden meisjes en enkele jongetjes probeerden haar in die jaren te imiteren. Zonder succes, het gebrek aan cultuur en traditie brak de kleine sport op. Een echte opvolgster kreeg de kunstrijdster nooit.


Of het moet Nicolien Sauerbreij zijn, die in Vancouver als pionier - weliswaar in de sneeuw - in haar voetsporen trad. Vader Maarten zei voor haar zijn baan op en verkocht het huis om te kunnen investeren in de sportieve toekomst van zijn dochter. Hij werd ook haar trainer. Jarenlang trokken ze in een camper de wereld rond.


Het geheim van sportief succes? Sjoukje Dijkstra: 'Het gaat om geld, tijd en opofferingen van ouders.'


Meer over