Met dank aan de Woningwet

In geen enkele Nederlandse wijk is een bordje te vinden waarop wordt uitgelegd dat deze huizen dankzij de Woningwet van 1901 zijn gebouwd....

door Arnold Koper

IN JERUZALEM, een vriendelijk Amsterdams wijkje met piepkleine huizen en fraaie groene binnenhoven, hangen overal affiches voor de ramen. De deelgemeente en de woningbouwcorporaties beramen plannen om in dit stukje van de Watergraafsmeer een moderne woonwijk te bouwen. De buurtbewoners verzetten zich daartegen, omdat het met de sloop van hun woningen gepaard zal gaan. Dat is wrang en niet alleen voor de bewoners.

Jeruzalem werd aan het begin van de jaren vijftig als Tuindorp Frankendael gebouwd door de Amsterdamse stadsarchitect Merkelbach. Zijn buurtje wordt in vrijwel alle overzichtswerken van de moderne architectuur en stedenbouw lovend besproken. Onlangs kreeg Jeruzalem een eervol plekje op een lijst met de vijftig beste woningprojecten van de afgelopen honderd jaar, opgesteld door Aedes, de landelijke vereniging van woningbouwcorporaties.

Morgen begint in de Amsterdamse Beurs van Berlage de interieurtentoonstelling '100 jaar wonen in Nederland'. De expositie maakt deel uit van een manifestatie over hnderd jaar Woningwet, die 15 januari officieel wordt geopend. Dan wordt ook bekend gemaakt welke architect, waarschijnlijk postuum, een lauwerkrans krijgt voor de allerbeste woningwetwoning.

Een jury neemt daarover het besluit, maar het personeel van de woningbouwverenigingen heeft per stembiljet een voorselectie gemaakt. Merkelbach en zijn tuindorp Frankendael hebben de toptien die daaruit te voorschijn kwam niet gehaald. Maar ook Oud, Berlage, Dudok en Rietveld hebben het afgelegd tegen betrekkelijk onbekende of in de vergetelheid geraakte architecten.

Van de gevestigde namen uit de architectuurgeschiedenis zijn er maar twee overgebleven op de groslijst. Onder wie Van den Broek, van het gerenommeerde bureau Van den Broek en Bakema, met een complex van hoogbouwwoningen aan de Vroeselaan in Rotterdam, dat begin jaren dertig werd gebouwd. Het is bij de corporatiemedewerkers waarschijnlijk vooral in de prijzen gevallen vanwege de uitgekiende woningplattegrond die het mogelijk maakt de slaapvertrekken overdag als woon- en kinderkamer te gebruiken.

De Amsterdamse School is vertegenwoordigd in de toptien met de in de jaren twintig gebouwde P. L .Takbuurt in Amsterdam-Zuid van M. de Klerk. Maar De Klerk gooit ook nog hoge ogen met Het Schip in de Spaarndammerbuurt in Amsterdam. Dat gebouw, een 'arbeidersparadijs' volgens de vakliteratuur, herbergde niet alleen woningen, maar ook een schooltje, een postkantoor en een vergaderzaaltje voor de bewoners. Het oude postkantoor heeft net een ingrijpende renovatie ondergaan en begint op 22 december een nieuw leven als Documentatiecentrum van de Volkshuisvesting.

Nergens in Nederland vind je een bordje waarop wordt uitgelegd dat deze woning dankzij de Woningwet van 1901 is gebouwd. Toch zou daar wel wat voor te zeggen zijn. Want behalve bij de invoering van de leerplicht en van het kiesrecht heeft de Tweede Kamer waarschijnlijk nooit een wet aanvaard die ingrijpender consequenties heeft gehad.

Van de zesenhalf miljoen woningen in Nederland zijn er ruim tweeënhalf miljoen onder het regime van de Woningwet gebouwd. De Woningwet schiep de voorwaarden voor de moderne stedenbouw. Beroemde architectuurstromingen als de Amsterdamse School en de Stijl zouden zonder de wet waarschijnlijk nooit tot bloei zijn gekomen. En omdat architecten als Oud, Berlage en Rietveld behalve gebouwen ook interieurs en meubels ontwierpen, had hun werk ook nog een geweldige invloed op de goede smaak.

Maar het belangrijkste motief achter de Woningwet was verbetering van de hygiëne en de volksgezondheid. In de tweede helft van de negentiende eeuw trokken steeds meer mensen van het platteland naar de stad. Op zoek naar werk in de industrie, die net begon op te komen. Omdat de woningvoorraad daarop nog lang niet was berekend, kwamen de arbeiders met hun meestal grote gezinnen terecht in donkere krotten, kelders en alkoofwoningen en inderhaast gebouwde nieuwbouwwoningen. Elementaire voorzieningen als een privaat, stromend water, riolering en een fatsoenlijk keukentje, waren eerder uitzondering dan regel.

Behalve de opkomende arbeidersbeweging ageerden daartegen ook veel verlichte burgers en industriëlen. Uit mededogen, maar ook omdat de belabberde leefomstandigheden van de arbeiders een bedreiging vormden voor hun productiviteit en omdat de ziekten die in de volkswijken heersten natuurlijk niet voorbij gingen aan de gegoede burgers.

De Woningwet gaf gemeentebesturen de middelen om wantoestanden in de volksbuurten aan te pakken. Wethouders mochten voortaan minimumeisen stellen aan de kwaliteit van nieuwbouwwoningen. Ze konden met een 'aanschrijving' particuliere huiseigenaren dwingen hun woningen te verbeteren. Of zelfs te sluiten, maar dan kwam er een 'onbewoonbaarverklaring' aan te pas. Nog belangrijker was dat de gemeenten het recht kregen renteloze voorschotten te verstrekken aan stichtingen, bedrijven en verenigingen die de volkshuisvesting wilden verbeteren. Daarmee werd de weg vrijgemaakt voor de oprichting van honderden woningbouwverenigingen.

De eerste woningwetwoningen werden in 1905 gebouwd aan de Calkoengracht in Volendam. Die kleine visserswoningen zijn later in particuliere handen overgegaan, maar staan er nog altijd. Net als de witte woningen van de mijnwerkerskolonie De Hopel bij Kerkrade, die in 1907 in opdracht van de directie van de Laura-mijnen werd gebouwd om ervoor te zorgen dat het personeel van de mijn een beetje fatsoenlijk kon leven.

Die eerste, nog alleszins bescheiden projecten werden later gevolgd door een veel omvangrijker nieuwbouwprogramma. Het plan-Zuid van Berlage met zijn grote bouwblokken, in de Rivierenbuurt aan de rand van Amsterdam, is daarvan het bekendste voorbeeld. Maar de meeste stadsuitbreidingen uit de jaren twintig werden allesbehalve grootstedelijk opgezet. Ze kregen juist een dorps, intiem en groen karakter. De Britse en Duitse tuinstadbeweging was toen buitengewoon invloedrijk.

Tot de Tweede Wereldoorlog waren de gemeenten verantwoordelijk voor de volkshuisvesting. Daarna begon ook het rijk zich ermee te bemoeien. De oorlogsschade moest worden hersteld. De woningnood werd decennialang als het grootste sociale probleem beschouwd. Kabinetten konden in moeilijkheden komen over een huurprijsverhoging of over de jaarlijkse nieuwbouwproductie.

In 1973 bereikte de naoorlogse bouwgolf zijn hoogtepunt. Toen werden ruim 155 duizend nieuwbouwwoningen opgeleverd. Bijna de helft daarvan kwam tot stand onder regie van de gemeenten en de woningbouwcorporaties. De overheidsinvloed bleef niet beperkt tot de productiequota, maar ontwikkelde zich tot een complex stelsel van standaardnormen, bouwverordeningen en welstands regels waaraan ook de woningbouw in de vrije sector was gebonden.

Vrijwel iedereen die nu in leven is, heeft ooit gewoond in een woningwetwoning. De kwaliteit van de naoorlogse bouw laat naar de huidige maatstaven evenwel te wensen over. Veel naoorlogse uitbreidingswijken zullen de komende jaren kennismaken met de slopersbal en worden vervangen door luxueuzere koopwoningen in de vrije sector.

Nederland is de afgelopen decennia zoveel welvarender geworden dat het begrip volkshuisvesting nog maar zelden wordt gebruikt. De woningbouwcorporaties zijn al tien jaar geleden door wijlen staatssecretaris Heerma op afstand geplaatst. Vroeger maakten zij samen met de gemeenten de dienst uit op de nieuwbouwmarkt, nu hebben ze concurrentie gekregen van grote bouwbedrijven en projectontwikkelaars. Bij de meeste projecten geldt tegenwoordig de standaardregel dat hooguit 30 procent van de woningen voor de sociale sector wordt gebouwd.

'Er moet een einde komen aan de situatie waarin de consument zich bevindt in de aloude Russische staatswinkel met zout, suiker en linkerschoenen', schreef een voorlichter van het ministerie van Volkshuisvesting onlangs in de uitnodiging voor een feestelijke bijeenkomst ter gelegenheid van de officiële publicatie van de nota 'Mensen, wensen, wonen' van staatssecretaris Remkes.

De naoorlogse woningbouw was geweldig efficiënt, maar huurders en huizenkopers hebben nooit veel invloed gehad op het aanbod van nieuwe woningen. Een kleine elite van beroepsbestuurders, politici, stedenbouwkundigen en architecten bepaalde wat de ideale woning en woonomgeving was. Meer smaken werden niet op prijs gesteld. Berucht is het voorbeeld van de hoogbouw in de Bijlmer. Die werd in de jaren zestig opgetrokken, terwijl uit enquêtes was gebleken dat zulke massieve hoogbouwflats niet gewild waren.

Dat paternalisme werd in de jaren zeventig voor het eerst op de proef gesteld. Mondige buurtbewoners en krakers dwongen toen inspraakprocedures af, waardoor heel wat stadvernieuwingsprojecten werden afgeblazen of bijgesteld. Dertig jaar later is volgens Remkes een nieuwe cultuuromslag op de bouwmarkt gewenst. Bewoners moeten veel meer invloed krijgen op het ontwerp van hun huizen. Honderd jaar Woningwet heeft prachtige projecten opgeleverd, maar veel maatwerk zat er niet bij.

Meer over