Merknaam met menselijk trekje en liefde voor de gulden snede

Billy Apple..

Marina de Vries

rotterdam Een kunstenaar die ernaar streeft zichzelf als persoon op te heffen en voortaan als handelsmerk door het leven te gaan. Is dat niet een beproefde strategie uit het verleden, toen reclame- en marketingstrategieën door begonnen te dringen in de edele wereld van de kunst?

Billy Apple, voorheen Barrie Bates, begon ermee in 1962 en maakte er sindsdien zijn levenswerk van. Pas onlangs, in 2008, lukte het hem zijn merknaam officieel te registreren. Het Rotterdamse kunstcentrum Witte de With wijdt momenteel een tweedelige tentoonstelling aan deze Nieuw-Zeelandse grootheid van de pop-artgeneratie. Daaruit rijst het beeld op van een veelzijdig en consistent oeuvre, dat nog altijd actueel is.

Het eerste deel bestaat uit een overzicht van de afgelopen jaren en begint met een zelfgemaakte rouwadvertentie van het individu Barrie Bates (1935-1962). De kunstenaar experimenteert met kleurige fotolithografische zelfportretten, waarin Bates langzaam verdwijnt. In een andere serie zelfportretten komt Billy Apple tevoorschijn. Als een kind oefent hij zijn nieuwe handtekening. De 3D-sculptuur Neon (red) Signature (1967) is een gekrioel van letters en een uitbundig vertoon van individualiteit, dat haaks staat op de aangemeten, zakelijke identiteit.

Meer dan zijn registratie als merk, wordt zijn werk gekenmerkt door die vermenging van conceptuele, zakelijke inslag en persoonlijk leven. De appels, vereeuwigd in brons en goud, vloeien nog voorspelbaar voort uit de pop-art-idealen, waarin producten uit de consumptiemaatschappij worden verheven tot kunst. De tot kunstwerk gebombardeerde rekeningen sluiten daarbij aan, zij het dat Apple een stapje verder gaat. Hij hangt de rekeningen – een schuldbekentenis aan zijn moeder, een nota van een T-shirt van Paul Smith – niet zomaar nonchalant aan de wand, maar lijst ze zorgvuldig in en voorziet ze van steeds hetzelfde, ontnuchterende commentaar, waaruit de kunstenaar als mens van vlees en bloed naar voren komt: ‘The artist has to live like everybody else’.

Ook vanachter sobere, zakelijke woordschilderijen met strakke, modernistische letters als HIP en From a Private Collection duiken onverwacht menselijke aspecten en persoonlijke geschiedenissen op. HIP is gemaakt om zijn heupoperatie te bekostigen, de deels rode achtergrond staat voor het tekort aan geld. In de twee andere schilderijen gaat het aanvankelijk nog om de ‘Jenny & Alan Gibbs Collection’, achttien jaar later resteert alleen Jenny Gibbs. Blijkbaar eisten scheiding of dood hun tol.

Daarbij is de aandacht van Apple voor vormgeving opmerkelijk. De letters van de woordschilderijen zinderen in hun kleurveld als abstract-expressionistische doeken. En Apple is een fervent liefhebber van de gulden snede, een tijdloos verhoudingstelsel waarop ook Mondriaan zich baseerde. Dat maakt zijn werk naast inhoudelijk verrassend ook nog steeds boeiend om naar te kijken.

Met dat oog voor verhoudingen pakt Apple in het tweede deel van de tentoonstelling de expositiezalen van Witte de With grondig aan. Hij laat inbouwsels als een keuken en een rommelhok verwijderen, timmert een witte wand voor de grote, open vensters naar de straat en laat op andere plekken het licht binnenstromen.

De ingreep is meer dan louter esthetisch. Apple borduurt voort op een ontwikkeling, die begon toen Andy Warhol met zijn blikken Campbell Soup en pakken wasmiddel het instituut galerie veranderde in een lawaaiige supermarkt. Apple was erbij destijds. Maar de tijden veranderen. Momenteel groeien kunstcentra weer uit tot oorden van bezinning.

Zo laat Apple niet alleen zien dat kunst onlosmakelijk is verbonden met mensen, maar ook dat kunst een levend organisme is, dat al naar gelang de omstandigheden groeit en zich ontwikkelt.

Meer over