Mens, leer te sterven!

Dat we ten dode zijn opgeschreven, is waarschijnlijk het meest pregnant verwoord door de filosoof Martin Heidegger. Hij schreef: 'Zodra een mens tot leven komt, is hij terstond oud genoeg om te sterven.' Ooit een alledaagse realiteit, nu een ervaring die naar de periferie van het menselijke bewustzijn is verbannen. Althans, in grote delen van wat wel de ontwikkelde wereld wordt genoemd. Voor een tiener in Syrië of een zuigeling in Soedan staan Heideggers woorden als een huis: het nauwelijks ontkiemde leven wordt er continu door de dood op de hielen gezeten.


Maar niet voor ons. Waar tot in de 19de eeuw de vorst zijn macht effectueerde via de dood (het schavot), oefent het gezag nu zijn heerschappij uit door een gezond, veilig en lang leven te prediken. Het biologische voortbestaan is in het centrum van de politieke besluitvorming komen te staan. Politiek is gereduceerd tot biopolitiek, oftewel: administratief beheer van de productieve diersoort mens.


Daarmee heeft men de dood, ooit een publiek schouwspel ter lering en vermaak van de meute, als machtsinstrument uit handen gegeven en verbannen naar het privédomein.


Het schandaal van de dood is dus gepacificeerd en gedomesticeerd. Menigeen zal deze transformatie als een teken van beschaving bestempelen. En inderdaad, de beul op het marktplein heeft plaatsgemaakt voor meer huiselijke en virtuele vormen van doodsvertier. Vandaag de dag is het vooral de entertainmentindustrie die het nakende einde de huiskamer binnenbrengt en er een zap- en klikervaring van maakt.


Exemplarisch hiervoor zijn al die varianten van reality-tv die het menselijke verval en de sterfelijkheid als onderwerp kiezen. Maar ook hier geldt dat de reële dood, het afsterven zelf, goeddeels buiten beeld wordt gehouden. Men ziet ongeneeslijk zieke jongeren die nog alles uit het leven halen (in het BNN-programma Over mijn lijk), maar de sterfbedscène haalt de treurbuis niet.


Het sterven is weggeduwd en het leven minus de dood is als hoogste waarde geproclameerd. In de hoop zich de engel des doods van het lijf te houden, joggen en fitnessen de levenslustigen van vandaag erop los. Sinds het geloof in God is vervangen door het geloof in de techniek, herleven de onsterfelijkheidsfantasieën als nooit tevoren.


Een enkeling laat zich na de dood invriezen, anderen beperken zich tot preventief screenen en bekeren zich massaal tot cholesterolverlagers en bètablokkers. En Vadertje Staat cheerleadert: leef lang en gezond; rook niet, drink matig en beweeg!


Het resultaat is ernaar. De natuurlijke dood op hoge leeftijd is van een voorrecht voor weinigen tot een burgerrecht van velen geworden. Maar hier doet de gezondheidsparadox haar intrede en genereert het systeem zijn eigen ongerijmdheden: meer gezondheidszorg leidt tot meer ziekte. Het uit de pan rijzen van de gezondheidskosten is uiteindelijk een schaarsteprobleem, veroorzaakt door een excessieve toename van (oud) leven en het achterblijven van de middelen om dat leven in stand te houden.


Met de huidige crisis in de zorg dringt het selectievraagstuk zich op. De discussie zal van kwantiteit van leven naar kwaliteit van leven verlegd worden. Het debat over de dure medicatie voor de ziektes van Pompe en van Fabry illustreert hoe onvermijdelijk dat is.


Maar de werkelijke sleutel voor verlossing ligt in onze houding ten aanzien van de dood. Het sterven is als een melaatse uit het alledaagse leven verbannen, terwijl het er onlosmakelijk mee verbonden is. Doodsvermijding als levensprincipe en het naakte overleven tegen elke prijs: het zijn tegennatuurlijke en onhoudbare idealen.


Het wordt tijd een levenshouding te bevorderen die ruimte geeft aan het individu om het lijden en de dood op zich te nemen en als integraal onderdeel van zijn leven te beschouwen. Kortom, van biopolitiek die het leven tot elke prijs in stand houdt, naar een verlichte vorm van thanatopolitiek die het leven ontvankelijk maakt voor de dood.


De zorgcrisis brengt het domein van de dood weer binnen het bereik van de politiek. Dat hoeft niet alleen een kwestie van kille kosten-batenafwegingen te betekenen, maar zou tevens de aanzet kunnen zijn tot een maatschappelijk debat over zoiets als stervenskunst, een vergeten vorm van levenskunst.


'Zodra een mens tot leven komt, is hij terstond oud genoeg om te sterven.' Laten we die tekst voortaan op onze rouw- én geboortekaartjes zetten.


Hans Schnitzler

is filosoof.

Meer over