'Men trok de kinderen de armen en benen bijna uit het lijf'

Het is bijna overwoekerd door de oprukkende industrie, maar het bestaat nog steeds: Kinderdorp Neerbosch bij Nijmegen. Nu wonen er kinderen die thuis geen leven hadden....

THEO NIJENHUIS

HET IS zo'n mooi tracé, dat van de A73. Dwars door het Land van Maas en Waal met zijn stompe kerktorens en dorpen in het groen. Dan doemt Nijmegen op. Rechts van de snelweg heeft woningbouw het gewonnen van hectaren bos. Links is een monotoon industrieterrein geperst tegen het Maas-Waalkanaal.

In die industriële voorpost van de stad Nijmegen ligt een enclave: witte huisjes en een witte kerk op een groene heuvel met bomen die minstens een eeuw oud zijn. Gekrulde smeedijzeren pilaren schragen het dak van een muziektent op het grasveld voor de kerk.

Een oude, rode tractor neemt voorzichtig de verkeersdrempel bij de toegang. De jongen aan het stuur schiet geroutineerd een peuk in de berm. De trekker verdwijnt langs een rij huisjes naar een boerderij. Het verweerde pannendak concurreert met hoge boomkruinen. Zelfs de nieuwbouw op het terrein oogt vriendelijk.

Dit is het Kinderdorp Neerbosch. Er wonen ongeveer honderd jongeren die een jaar lang mogen proeven van een leven zonder mishandeling, incest of verwaarlozing. Neerbosch is een tehuis waarvan de kinderrechters vinden dat er veel te weinig zijn, maar hun standpunt is als kaf in de wind.

Nederland telt honderden en honderden kinderen die van de straat leven: van drugshandel, prostitutie of roof. Of ze 'leven' nog thuis. Zoals een Rotterdams jongetje dat dag en nacht vastgebonden lag op bed. Een kinderrechter vonniste dat het joch moest worden opgenomen. De rechter wist wat het effect was. Urenlang zou driftig worden getelefoneerd tussen allerlei instellingen. Na 48 uur zou vaststaan dat er, door bezuinigingen, nergens plaats was. Het kind kreeg inderdaad een plek op een formidabele wachtlijst.

Soms is er een politieke oprisping. Dan druppelt wat subsidie binnen. Het ene tehuis krijgt er tien plaatsen bij, een ander vijf. Maar geld om een kind op basketbal te doen moet van particulieren komen. De overheid heeft belangrijker zaken aan het hoofd: Europa, belastingverlaging en het financieringstekort. Er is altijd een reden om te bezuinigen, in voor- en tegenspoed.

De houten traptreden in de witte kerktoren van Neerbosch zijn na een eeuw uitgesleten. De trap leidt naar de plek waar ruim een eeuw geleden de blaasbalg van het orgel zat. Op zondagochtend pompten weesjongens - de 'probleemkinderen' van toen - lucht in de orgelpijpen, trots, alsof ze zelf koster waren.

Tijdens de preek schreven ze op het houtwerk en de muren wat ze bezighield. 'Ik hoor beneden mij de dominee preken. Wat zou hij nu weer uitkramen?' Of: 'Ik ben hier en denk aan Agnes.'

Geen spoor van wrevel spreekt van het houtwerk of van de muren. Neerbosch was geen plaats waar kinderen werden opgesloten. Het was een vrijplaats. Elk weeskind was welkom. Neerbosch had nog geen wachtlijsten. Rond de eeuwwisseling woonden er elfhonderd wezen. Ze kregen onderwijs, leerden een vak en bleven er tot ze zonder risico de maatschappij konden ingaan.

Ze waren er veilig. Langs de wegen en straten geen plakkaten met hun naam erop. Met de aankondiging dat een kerkbestuur of een gemeente 'een uitbesteding' zou houden. In de consistoriekamer van een kerk of in een herberg werden op de bewuste datum weeskinderen op een tafel gezet. Zoo'n wees dan, publiekelijk tentoongesteld, werd als koopwaar gemonsterd en getaxeerd, aldus een verslag uit die jaren.

Een kerkbestuurder noemde een bedrag dat de kerk per jaar wilde betalen aan degene die het kind in huis zou nemen. Dan kwam de vraag: wie doet het voor minder? Dat scheelde per weeskind heel wat guldens per jaar.

Het verslag vervolgt: De hartroerendste tooneelen werden dan afgespeeld. Kinderen van dezelfde ouders werden uit elkaar gerukt. Er onstonden gevechten om kinderen waarbij men ze bijna armen en beenen heeft afgetrokken.

De uitbestede kinderen werden vrijwel allemaal uitgebuit en vaak leden ze honger. Maar het kan altijd erger. Vijftig jaar lang zette de overheid weeskinderen en vondelingen op transport naar Drenthe. Ze moesten land ontginnen. Zo kostten ze de samenleving minder geld. Velen stierven er.

Fabrikanten namen wezen op om hen een vak te leren. 's Ochtends vroeg werden slapende kinderen van vijf jaar naar een textielfabriek gedragen om daar tot in de avond aan een weefgetouw te zitten. Het waren kinderen die nooit zouden worden toegelaten tot een 'burgerweeshuis', omdat ze uit de armste kringen kwamen. Niet dat het er in de burgerweeshuizen zachtzinnig toeging. Er werd nogal eens 'met de stok geregeerd', maar er was aandacht voor de toekomst van de kinderen. Ze waren geen winstobject.

Neerbosch herbergt geheimen. Op een koude winterdag in februari 1986 liep Roel van Regteren, staflid van Neerbosch, met een voorhamer over het terrein. Slopers zouden twee van die witte gebouwen neerhalen en Van Regteren was ze letterlijk een slag voor.

Van Regteren, een oud-marineman, sloeg tegen muren. Bij een kapitaal pand hoorde hij, boven de deur, een hol geluid. Diep in de gevel vond hij een loden koker met een brief erin. De aanhef:

Het (dit huis) blijve tot de dag waarin de Heer Jesus zelf zal komen en het voor elken geloovige eene genade en eere zal blijken arme weezen te hebben verpleegd, als Hij dat zal rekenen als aan Hem gedaan.

Een mysterieuze tekst voor een buitenstander. Voor Van Regteren was de vondst geen verrassing en de tekst geen mysterie. Hij wist wie de koker daar had verborgen.

Voor hem was er een klein stukje teruggevonden in een historische legpuzzel naar een man van wie hij intussen nagenoeg alles weet, een zware man met lange, dikke bakkebaarden die over zijn wangen uitwaaierden. Hij ligt op Neerbosch begraven: Johannes van 't Lindenhout, gestorven in 1918.

Van 't Lindenhout was een 'kind' van het Réveil, de kerkelijke stroming die afrekende met de maatschappelijke onverschilligheid. Je had als christen naar de letter van de bijbel te leven en te zorgen voor je naasten. Van 't Lindenhout koesterde die ene regel uit psalm 68: Hij is de vader der wezen. Dat werd hij eigenlijk zelf.

In 1863 huurde hij van een kennis een kapitaal pand in de benedenstad van Nijmegen. Samen met zijn vrouw ving hij er wezen op om een eind te maken aan 'de menschenhandel': Wij wenschen alle weezen gratis op te nemen om met hen uit de hand des Heeren te leven, vertrouwende op de belofte van Hem die gezegd heeft dat Hij is een Vader der weezen.

Het resultaat was dat het pand in Nijmegen snel te klein was om alle kinderen te huisvesten. Vier jaar later werden buiten Nijmegen de eerste gebouwen neergezet voor wat zou uitgroeien tot het Kinderdorp, een gemeenschap van weeskinderen. Het was soms kantje boord, maar het dorp kon zichzelf bedruipen. En het kreeg incidenteel steun van de bevolking en later van oud-Neerbosschers.

De leerlingen maakten meubels, jonge grafici drukten geïllustreerde tijdschriften, boeren en tuinders in spe voorzagen het dorp van groenten en aardappels. Van Regteren kreeg, toen hij begin jaren zestig op Neerbosch begon, elke week een formuliertje waarop hij kon aanstrepen wat hij de volgende week wilde eten.

Van Regteren is tegenwoordig conservator van het kleine Van 't Lindenhout-museum op Neerbosch. De wonderlijke geschiedenis van Neerbosch is in een klein wit huis samengeperst. De loden koker met de hartenkreet van Van 't Lindenhout is er te zien, maar ook reclame voor Amerikaansche wasmachines (¿ 22,50) die er werden gebouwd. Of de advertentie voor een leraar-kleermaker, die een salaris van ¿ 3,50 per week zou verdienen.

Van Regteren heeft in de loop der jaren veel weten te redden en de tijd nadert dat hij het allemaal kan tentoonstellen. In de loop van dit jaar verhuist het museum naar een ruimte die meer dan een eeuw geleden door leerjongens van Neerbosch zelf is gebouwd: de Bethelkerk, die witte kerk op de groene heuvel.

Het Van 't Lindenhoutmuseum in Nijmegen is te bezichtigen op afspraak: 024-377.04.17.

Meer over