Mega effect

Met het boek Kinderkroniek 1940-1945 voegt schrijver Guus Luijters de namen en de verhalen samen van Joodse oorlogskinderen. Hoe doorstaan we deze confrontatie?

WIETEKE VAN ZEIL

Soms stelt een vorm gerust. Zozeer, dat je de inhoud die erin is gegoten zou vergeten. Vorig jaar won Samuel Aranda de World Press Photo Award met zijn foto van de Jemenitische Fatima Al-Qaws, een zwart gesluierde vrouw die haar 18-jarige naakte zoon Zayed wiegt in haar armen. Een perfecte piëta, zoals Michelangelo die hakte uit Carraramarmer in de 15de eeuw. De vorm is diep verklonken in het onderbewuste van velen - het archetype van moederverdriet. Meteen aangrijpend, om die reden, maar op een vreemde manier ook geruststellend, want herkenbaar. Een vertrouwd westers beeld gaat de concurrentie aan met de werkelijkheid waarin die is gemaakt: een gifgasaanval in Jemen in 2011, tijdens de straatprotesten tegen het Jemenitisch regime, protesten waarbij twaalf mensen werden vermoord, onder wie overigens niet Zayed, en die uiteindelijk het bestaande regime omver hielpen. Maar wat blijft hangen, is die piëta. Vorm verdringt inhoud. Hoeveel mensen weten überhaupt dat die foto over Jemen gaat en niet, zeg, Libië, Tunesië of de Palestijnse gebieden?

Zo kreeg ook de wereld de afgelopen decennia de Shoah in toenemende mate binnen via één vorm: Anne Frank. Het verhaal van Anne is exemplarisch, tragisch en heel persoonlijk. Zij zelf is zo begríjpelijk, in een onbegrijpelijke tijd. Er is een dagboek, een huis - toeristische attractie nummer één in Nederland - er waren toneelstukken en films, een musical. Maar zo abstract als het getal het werkelijke aantal zes miljoen maakt, zo abstract werden langzaam alle andere kinderen die verdwenen in de Tweede Wereldoorlog. Anne werd de verpersoonlijking van de Shoah, alsof het mythologie is. Die personificatie had natuurlijk een belangrijke functie, zo kreeg een massamoord een menselijk gezicht. Maar het werd sleets, en in de beleving van de mensen werd de massa geleidelijk teruggebracht tot één. De groteske werkelijkheid erachter lijkt langzaam verloren te gaan.

Historicus Guus Luijters kwam daartegen in opstand, in navolging van Franse collega-historici. In 2012 presenteerde hij boek en tentoonstelling In Memoriam, zijn poging alle uit Nederland verdwenen kinderen hun naam terug te geven. Hun bestaan te bevestigen. Een staaltje Neeltje Maria Min van heb ik jou daar. Alsof ze het allemaal zeiden: voor wie ik liefheb, wil ik heten. Wie de namen zag - soms met foto - ging ze allemaal liefhebben, de 18 duizend kinderen die zo stil verdwenen dat ze bijna niet hebben bestaan. Hun geruisloze ontmenselijking en verdwijning, geplaatst tegenover het grootschalige, mechanische en vaak sadistische geweld waaronder ze werden omgebracht, vormen het grootste contrast waarmee ik ooit werd geconfronteerd. Anne Frank met een megamultiplier-effect.

Nu heeft Luijters de verhalen bij de namen gevoegd in Kinderkroniek 1940-1945. Alles wat hij vond in getuigenissen, dagboeken en andere documenten over de kinderen werd op jaar, en later ook op plaats van vernietiging, geordend. Gegevens en lot van de kinderen worden er steeds bij vermeld. Ineens zijn het verhalen, verslagen, feiten en gevoelens. Je ziet de verbijstering langzaam toenemen, van het Amsterdamse leven dat gewoon doorgaat als de kinderen uit de klassen verdwijnen, tot de enkele getuigenissen van het einde in het Oosten, de ontmanteling van de mens: waar de namen in de Hollandsche Schouwburg nog minutieus werden geregistreerd, speelden ze bij aankomst op de perronloze haltes van Auschwitz en Sobibor in het geheel geen rol meer. En ook daar blijft de verbijstering het tot het laatste moment winnen van de werkelijkheid. 'Wij namen alles maar op van de vrolijke kant, nog niet beseffend dat zij ons wilden vermoorden. Daar hadden wij helemaal geen idee van', getuigt de inmiddels 92-jarige Jules Schelvis over de momenten van aankomst in Sobibor, een van de zeven kampen die hij overleefde.

In doorgangskamp Westerbork worden speeltuinen gebouwd en zieken verzorgd. Een baby wordt geboren in kamp Vught, Michieltje. Hij is zwak en krijgt sondevoeding onder toezicht van kampcommandant Gemmeker. Die laat Hennessy cognac aanvoeren om het kind een druppel te geven na elke voeding, om op krachten te komen. 'Maar toen Michieltje 6 pond woog, is-ie op transport gegaan. Voor de Arbeitseinsatz', getuigt Trudel van Reemst de Vries.

Liesje de Hond, 4 jaar, loopt van haar onderduikadres in de Pijp terug naar huis aan het Afrikanerplein in Amsterdam-Oost, als een kat die op geur de weg terugvindt. Haar buren brengen haar terug, waardoor ze het kon navertellen. Een jongen in de Roerstraat in Amsterdam-Zuid vraagt bij afvoering van het gezin Stranders of hij alvast de autoped van zijn buurjongen Fred mag hebben, omdat ze toch niet terug zullen komen. 'Moeten jullie ook mijn hart hebben?', heeft de opa geroepen. Behalve Fred stierf de hele familie in Sobibor. Er waren meer dagboeken; Etty Hillesum hield op aanraden van haar geliefde een dagboek bij, tot ze in 1943 naar Auschwitz werd afgevoerd. Ze zorgt voor de kinderen in de ziekenboeg in Westerbork en schrijft over een verlamd meisje dat net heeft gehoord dat ze op transport moet. Het kind lijkt de hele Shoah samen te vatten als ze tegen Etty zegt: 'En zo jammer, hè. Dat nu alles wat je in je leven hebt geleerd, voor niets is geweest.' Toevallig genoteerd, toevallig behouden, en nu weer gepubliceerd.

Misschien komt het omdat het letters en woorden zijn, zonder geluid of beeld, maar steeds weer in het boek valt de rust van de vertellingen op: veel getuigenissen zijn verstoken van veel emotie. Op 24 augustus 1943 schrijft Hillesum: 'Ik heb het één keer midden in de nacht hardop tegen mijzelf gezegd, het met een zekere nuchterheid geconstateerd: 'Zo, nu ben ik dus in de hel'. Ik kom langs het bed van het verlamde meisje. Ze is al gedeeltelijk, met hulp van anderen, aangekleed. Ik zag nooit zulke grote ogen, in zulk een klein gezichtje. 'Ik kan het niet verwerken', fluistert ze me toe.'

De slingerbewegingen tussen het alledaagse en het onbevattelijke in Kinderkroniek werken continu verwarrend. De enkele overlevingsverhalen komen door onwaarschijnlijk kleine keuzen en toevalligheden - de vader van Jaap Sitters in de Van Muysschenbroekstraat prikt een spijker tegen de voordeur en plakt een van een leeggehaald huis gepeuterde zegel tegen het sleutelgat: het gezin hoort, zwijgend staand in een donkere slaapkamer, hoe de hele straat wordt afgevoerd. Spijker en zegel redden hun leven.

De woorden remmen je af, alsof ze je weigeren de informatie snel en makkelijk tot je te nemen. Detail na detail eist Luijters je aandacht op, omdat aandacht de kinderen hun waardigheid teruggeeft. Dit boek laat zien: de essentie van de Shoah is de massaliteit. Elk exemplarisch verhaal is daarmee een schijnwerkelijkheid.

Maar anders dan bij In Memoriam, voegt Guus Luijters in de Kinderkroniek wel een beetje 'Anne' toe. Hij geeft de lange namenlijsten menselijke verhalen, en slaagt er zo in dat het persoonlijke en de bijna abstracte veelheid naast elkaar kunnen bestaan. Hij balanceert ermee op een lijn. Want de directe werkelijkheid maakt vaak wankel. Kinderkroniek lezen, is soms alsof er een gordijn wordt weggetrokken. Waar In Memoriam nog een leven vóór de ellende liet zien, de namen en foto's een handreiking waren om de kinderen in al hun kinderlijkheid te gedenken, is in de Kinderkroniek de angst en waanzin constant aanwezig. We kijken direct en vol - zonder spiegels, zonder filters, reductie of geruststelling - naar dat waarnaar eigenlijk niet te kijken valt, in totale omvang. Het is vaak ijskoud en zuigend, als de dementors in de Harry Potterverhalen: gezanten van het kwaad, die al het geluk uit je zuigen. Tussen zo veel evil heb je een uitweg nodig. Poëzie, schoonheid. Iets dat je even laat ontstijgen aan het vergeefse van alles. Die uitweg vind je, heel soms. In een mooie zin van Etty Hillesum. Of in een spijkertje dat een gezin in leven hield.

HERKEND VAN DE FOTO

In Kinderkroniek staan twee foto's. Het meisje op de foto rechts, Eefje - nu Eva Smit - overleefde de oorlog doordat ze werd opgenomen in de familie Bockma in Heerlerbaan. De foto werd daags na de bevrijding op 17 september 1944 daar gemaakt met twee onbekende geallieerde soldaten. Eva Smit mailde de Volkskrant afgelopen week dat haar 'broer' bij de familie Bockma zich het moment van de foto herinnert. 'De jonge jongen links was een heel verlegen type, die genoot als hij bij mem in de keuken een kop koffie kon drinken; wat hij zwijgend deed,' schrijft Harmen Bockma senior aan Eva. 'De man rechts op de foto was een enorme prater, die de bijnaam 'Silly Billy' had.' De foto moet enkele dagen na de bevrijding zijn genomen, want de eerste twee dagen waren gespannen: 'Dat (...) kan ik ook zien aan het feit dat ze geen geweer dragen. De eerste dagen waren ze onafscheidelijk van hun wapen. Deze groep had sinds Normandië (juni 1944) nog geen rust gehad, dat verklaart ook hun enorme waardering voor het kunnen in- en uitlopen in een gewoon huis bij gewone mensen voor een kop koffie. Ze waren gesteld op mem en haar dochters, en jij en Tjalling waren populair bij ze en werden verwend.'

Het 12-jarige meisje op de foto links dat recht in de lens kijkt, kon Guus Luijters niet identificeren. Maar na verschijning van het boek, twee weken geleden, belde Nora van der Vaart (82) de Gooi- en Eemlander om te zeggen dat ze het meisje van de foto, die in de krant stond, herkende: het is haar vriendinnetje Rebecca Osnowic. In DWDD maakten zij en Luijters dit bekend. Rebecca werd gedeporteerd, maar heeft de oorlog overleefd en stierf in 1984 in Haïfa, Israel.

undefined

Meer over