Meeslepende ode aan de doden

Van Roozendaal weet de toetsen net zo subtiel te aaien als Jules de Corte.

PATRICK VAN DEN HANENBERG

De Duif, Amsterdam, 9/9. Heimwee naar de hemel door Paul de Munnik en Maarten van Roozendaal. Aldaar tot eind september. kikproductions.nl.

Maarten van Roozendaal en Paul de Munnik wensen hun collega-zangers een lang leven toe, maar er viel toch enige teleurstelling te bespeuren in hun opmerking dat Boudewijn de Groot nog onder de levenden is. Nu konden ze namelijk niets kiezen uit zijn indrukwekkende repertoire.

Tot eind november zingt het gelegenheidsduo Van Roozendaal en De Munnik liedjes van Nederlandse zangers die niet al te lang geleden zijn gestorven. Als ze tijdens de voorbereiding van het programma in de knoop kwamen met hun criteria werd er vrolijk gesjoemeld, waardoor ook Jacques Brel (Nederlandse vertaler), Neerlands Hoop (het duo is ter ziele en de helft is echt dood) en zelfs hun eigen liedjes (Maarten van Roozendaal: 'We behoren tot de bijna dode zangers') mochten meedoen.

Tijdens de verbouwing van De Kleine Komedie wordt uitgeweken naar de nabijgelegen kerk De Duif. Daar wordt deze maand op zaterdag en zondag ook de beschouwelijke serie 'Preken voor eigen parochie' gehouden met cabaretiers (Thomas van Luyn, Kees van Kooten), politici (Frits Bolkestein) en andere maatschappelijke smaakmakers, zoals Coen Teulings van het Centraal Planbureau.

Met het programma Heimwee naar de hemel, waarmee ze een maand in De Duif staan, maken Van Roozendaal en De Munnik eigenlijk ook een maatschappelijk statement. Onder het motto 'omdat zij het niet kunnen doen, en wij het niet kunnen laten' zorgen zij ervoor dat het repertoire van overleden zangers niet gelijk met hen het graf in gaat. Robert Long, Jules de Corte en Ramses Shaffy hebben liedjes met eeuwigheidswaarde geschreven.

Het duo opent ruig met een battle of the pianists, waarbij het stampende voetenwerk van Van Roozendaal het verschil in speelstijl symboliseert. Maar in Het liedje voor de Hopelozen blijkt Van Roozendaal de toetsen net zo subtiel te kunnen aaien als Jules de Corte, de maker van het lied.

Er zit veel melancholie in het programma, de vergankelijkheid druipt er soms in dikke klodders vanaf. Maar er zit ook genoeg humor in de keuze (Maak van je scheet een donderslag van Herman Brood) en in de ongedwongen samenspraakjes, zodat het niet te tranerig wordt. Door de spannende begeleidingsinvalshoeken, zoals het staccato honky tonk spel bij Veronica van Cornelis Vreeswijk en het secuur fragmentarische pianospel van De Munnik bij 5 uur van Shaffy, worden alle liedjes plezierig weggehaald uit de sfeer van braaf nazingen.

Het duo dekt zich slim in door het arbitraire karakter van de liedjeskeuze te benadrukken. Daarmee halen ze eventuele kritiek op de overkill aan liedjes van Vreeswijk en Bram Vermeulen onderuit en hoeven ze ook geen antwoord te geven op de vraag waarom gekozen is voor een aantal wel erg introverte nummers van Ramses Shaffy. Een verrassing is de prominente plek die Frans Halsema's Ik ben nou nog springlevend heeft gekregen. Het is net als het aloude Mens durf te leven van Dirk Witte een krachtige samenvatting van het gehele oeuvre van Youp van 't Hek, en wordt meeslepend en vurig gezongen.

Van Roozendaal en De Munnik vormen een ijzersterk koppel, dat elkaar mooi aanvult en opvangt als het even mis dreigt te gaan. En ze bewonderen elkaar. Dat was goed te horen aan de gepassioneerde manier waarop ze elkaars werk (Mooi Liedje van De Munnik en De Olielamp van Van Roozendaal) zongen. Hier worden geen vliegen afgevangen. Hier wordt de muzikale liefde bedreven.

undefined

Meer over