Meer natiestaten maken Europa er niet mooier op

Of Europa er prettiger en democratischer op wordt naarmate meer volkeren hun eigen staten en staatjes vestigen, is maar zeer de vraag....

'ER IS geen reden om met betrekking tot het verschijnsel nationalisme dogmatisch te zijn', schrijft Erik Meijer (Forum, 29 september). De laatste 150 jaar Europese geschiedenis hebben volgens hem geleerd dat vreedzame coëxistentie van buurvolkeren te verkiezen valt boven het krampachtig bijeenhouden van reusachtige veelvolkerenstaten, dat onherroepelijk tot verscherping van etnische of nationalistische tegenstellingen leidt.

Het proces dat Meijer beschrijft, speelt zich opvallend genoeg vrijwel uitsluitend aan de randen valt Europa af, en dan vooral in Oost-Europa. Om een juist inzicht te krijgen in de etnisch-nationalistische constellatie van Europa op dit moment, lijkt het raadzaam om wat meer van de Europese geschiedenis te bekijken dan alleen de laatste 150 jaar.

In bepaalde kleine West-Europese territoriale eenheden speelden zich al vanaf de elfde en twaalfde eeuw processen van staatsvorming en expansie af. Engeland en Frankrijk zijn daar de bekendste voorbeelden van. Deze 'staten' werden echter tot ver in de nieuwe tijd niet gedragen door het daarin levende volk, maar door staatsapparaat, adel, leger en bourgeoisie.

Het huidige Frankrijk mag dan alom als een homogene natiestaat gelden, aan het begin van de vorige eeuw was het in feite nog een veelvolkerenstaat, met verschillende regio's die wat betreft taal en cultuur sterk van elkaar verschilden. Een homogene natie kan geconstrueerd worden, etnische identiteiten kunnen veranderen, acculturatie kan verschillende culturen tot elkaar brengen.

Meijer gaat impliciet uit van het bestaan van een onveranderlijke etnische of nationale identiteit bij volkeren, en ter illustratie voert hij voormalig Joegoslavië, Hongarije en Slowakije op. Inderdaad leven op de Balkan en in andere delen van Oost-Europa groepen mensen met een verschillende taal, cultuur en religie door elkaar, een gevolg van de middeleeuwse expansiedrift van West-Europeanen en een latere zelfde beweging vanuit het Ottomaanse Rijk.

De door Meijer gewenste vreedzame coëxistentie stuit in deze gebieden op praktische problemen: de verschillende bevolkingsgroepen wonen al eeuwenlang door elkaar, niet naast elkaar. Gedwongen volksverhuizingen zouden een oplossing kunnen bieden, maar ik betwijfel of Meijer dat bedoelt als hij het nationalisme progressieve en democratische kwaliteiten toedicht.

Het toekennen van vergaande autonomie en zelfs eigen (deel-) staten aan aparte volkeren leidt tot enkele lastig te beantwoorden vragen: Wie bepaalt wat een volk is en wat niet, wie bepaalt welk grondgebied aan welke bevolkingsgroep wordt toebedeeld?

Bovendien is het bepaald denkbeeldig dat een staat die stoelt op de culturele homogeniteit van zijn bevolking, democratische basisrechten voor onherroepelijk aanwezige etnische minderheden binnen haar grenzen makkelijk kan veronachtzamen.

Terecht waarschuwt Meijer voor 'het nationalisme van de superioriteitsgevoelens', dat ten alle tijde bestreden dient te worden, maar zijn eigen model om nationalisme te kanaliseren en tot een progressieve en democratische kracht te maken, biedt juist een voedingsbodem voor een dergelijk nationalisme. Hij legt sterk de nadruk op taal en cultuur als de basis voor de eenheid van een volk.

Door het begrip 'volk' op een dergelijke wijze te definiëren, biedt Meijer onbedoeld de mogelijkheid om zeer omstreden historische gebeurtenissen te rechtvaardigen. Immers: op deze manier redenerend, kan men tot de conclusie komnen dat etnische Duitsers terug in het Rijk moeten, of dat aanslagen op onschuldige mensen een hoger doel dienen: de progressieve, op nationalisme gebaseerde staat, die samenvalt met taalkundige en culturele grenzen.

Een volk is een constructie. Landen die wij nu als cultureel homogeen beschouwen, zijn ooit ook als 'veelvolkerenstaat' begonnen. Dat processen van acculturatie en eenwording vandaag de dag anders zullen verlopen dan in de Middeleeuwen is duidelijk, maar we moeten niet over het hoofd zien dat deze processen vele eeuwen in beslag kunnen nemen. Een groot deel van Europa verbrokkelen in zelfstandige etnische eenheden is onhaalbaar: er blijven altijd minderheden bestaan, en een dergelijke constellatie is alleen al om economische redenen onwenselijk.

Een oplossing voor deze problemen ligt niet direct in het verschiet: de neiging tot afscheiding bestaat inderdaad in vele delen van Europa, met alle vormen van protest, geweld en oorlog die daarmee gepaard gaan. Ook de sterk gecentraliseerde staat kent zijn tekortkomingen en is zeker niet per se de ideale democratische staatsvorm.

Het is echter twijfelachtig of Europa er al met al democratischer op zal worden indien elk volk dat dat wenst autonomie kan verwerven. De ontwikkelingen in de voormalige Sovjet-Unie en het voormalig Joegoslavië geven voorlopig nog geen aanleiding tot optimisme, en een Baskenland onder leiding van kopstukken van de ETA wordt waarschijnlijk ook door weinigen in eerste instantie met een stabiele democratie geassocieerd.

Staatsvormingsprocessen nemen veel tijd in beslag. Wellicht kan men in de toekomst een positieve draai geven aan de gang van zaken in landen waar afscheiding en autonomie hete hangijzers zijn, een draai richting stabiele democratie, ongeacht taal cultuur en religie van de inwoners.

Job Weststrate studeert geschiedenis aan de Rijksuniversiteit Leiden.

Meer over