Meer dan een beestenman

Met ruim veertig werken in de openbare ruimte is Tom Claassen een van de populairste beeldhouwers van Nederland. In Amersfoort heeft hij nu zijn eerste serieuze museale tentoonstelling....

Beeldhouwer Tom Claassen (1964) heeft zo langzamerhand een wonderlijke menagerie opgebouwd. In de grachten van de Amsterdamse Vinexwijk IJburg zwemt een nijlpaard. Er liggen leeuwen in het Julianapark in Schiedam, waterbuffels in Berghem en op een spoortunnel in Best staat een mol van zeven meter hoog. Zijn konijnen, mussen en honden zijn over Nederland verspreid en in Almere, bij het knooppunt van de A6 en de A27, houden vijf reusachtige betonnen olifanten de wacht.

Mogelijk nog wonderlijker is het feit dat Claassen niets met beesten heeft. Laat hij weten in de publicatie die in 2009 bij NAi Uitgevers is verschenen over zijn werk. Het gaat hem eerder om klassieke beeldhouwprincipes, zegt hij daar. Om lijn en vorm, om ruimte, volume en constructie.

Wie zijn beestenboel eens goed bekijkt, ziet inderdaad dat de lobbesen van beton, cement of brons nauwelijks op echte dieren lijken. Neem het gietijzeren paard (z.t., 1996), dat speciaal voor zijn overzichtstentoonstelling van zijn vaste plek op een plein in Utrecht is verwijderd en tijdelijk voor Kunsthal KAdE in Amersfoort is geparkeerd.

Een paard is in wezen een elegant, aristocratisch dier. Zo niet bij Claassen. Zijn paard heeft een kolossale schouderpartij, die in één vloeiende beweging overgaat in een doorgezakte, holle rug en een uitpuilende, bolle buik. Lijn en vorm maken duidelijk dat dit paard is afgedankt, voor eeuwig tot stilstand is gekomen, het kubistische hoofd versmolten met de grond. Meer dan een paard is dit een monument voor een ver verleden, een herinnering aan het slachthuis dat ooit op het Utrechtse plein heeft gestaan.

Kunsthal KAdE ontdekte dat Claassen met ruim veertig beelden in de openbare ruimte weliswaar een van de populairste beeldhouwers van Nederland is, maar dat hij nog nooit is geëerd met een serieuze, museale overzichtstentoonstelling. Om het eenjarig bestaan te vieren, maakt de Amersfoortse Kunsthal die omissie goed met een expositie die recht doet aan Claassens uiteenwaaierende oeuvre. Want Claassen maakt weliswaar dieren voor buiten (in opdracht) en dieren voor binnen (op eigen initiatief). Maar hij maakt niet alleen dieren. Hij maakt ook grote, zittende mannen (voor de D-pier op Schiphol) en vreemde afgietsels van toiletten, tafels en stoelen. Hij goot een auto-ongeluk in gips en de ribbels van een boerenakker in polyester. Speciaal voor de tentoonstelling zijn twee enorme, nieuwe werken gemaakt, zijn alle buitenbeelden in kaart gebracht en via een speciaal ontwikkelde iPhone app. te bezoeken.

Claassen geeft zelden of nooit interviews en als hij het doet, blijft hij bescheiden en op de vlakte. Bekend is dat hij afwisselend in Denemarken en in Nederland woont, dat hij regelmatig tentoonstelt bij zijn vaste galerie Fons Welters en dat hij in de late jaren tachtig als beeldhouwer is opgeleid aan de St. Joost Academie in Breda.

Het valt in eerste instantie nauwelijks op, maar wie over de tentoonstelling in Amersfoort loopt, ontdekt tot zijn verrassing dat die vormingsjaren onmiskenbaar van invloed zijn geweest. De beeldhouwkunst maakte in de jaren tachtig een ongekende bloei door, met dank aan Britse kunstenaars als Tony Cragg en Barry Flanagan. Die schakelden in hun werk moeiteloos tussen zowel de meest banale materialen als plastic afval en zand, als het verheven marmer en brons en combineerden doodgewone onderwerpen (Flanagan concentreerde zich op hazen) met een klassieke beeldhouwtaal. Eind jaren tachtig begin jaren negentig pakten de Young British Artists (YBA’s) de draad op, met klassieke onderwerpen in de meest moderne, onorthodoxe materialen als siliconen en bevroren bloed – van dat laatste boetseerde Marc Quinn zijn driedimensionale zelfportret Self (1991) en Damien Hirst maakte zijn even beroemde als eigenwijze memento mori, een dode haai op sterk water.

Vooral Lavatory Cubicles (1991), het oudste werk op Claassens overzicht en het eerste waarmee hij van zich liet horen en zien, draagt de sporen van die tijd. Het werk, gemaakt van vloeibaar rubber, is banaal van onderwerp, monumentaal en komisch. In een vlaag van openhartigheid vertelt Claassen voor het werk geïnspireerd te zijn door het stripboek van Guust Flater, waarin juffrouw Jannie komt vast te zitten in een campingkledingkast.

De Lavatory Cubicles, twee vormeloos aan een haak bungelende afgietsels van toiletinterieurs met wc-pot en al, zijn voor Claassens doen ongekend vunzig. Het strontgele rubberen vel doet in afschrikwekkendheid niet onder voor The Origin of Species (1993) van Marc Quinn, die een mal van zijn eigen lichaam maakte. Net als de toiletruimtes bungelt het rubberen vel van Quinn vormeloos aan een haakje in de lucht. Lavatory Cubicles is met zijn zakkerige anti-vorm nog steeds adembenemend, al is het maar omdat het werk zo’n onaangename geur verspreidt.

Ook beesten werden in het postmoderne era op een voetstuk gezet. Naast de hazen van Flanagan zijn er de houten honden van de Amerikaan Jeff Koons en de gigantische, in polyester afgegoten olifant van de Duitse Katharina Fritsch (1987), die later heel wat ratten heeft gemaakt. Claassen voegde daar naast het paard zijn eigen rubberen Rat Brigid (1998) en de zaalvullende Zandleeuwen (vanaf 1990) aan toe.

Anders dan de YBA’s (en dan Fritsch, die haar realistische ratten gebruikt om de mens schrik aan te jagen) is Claassen niet uit op een schokeffect. Hij heeft het luidruchtig veroorzaken van ongerief niet nodig om de kijker bij de lurven te grijpen. Claassen overrompelt zijn publiek subtiel en bescheiden, met absurdistische, stripachtige eenvoud.

Om de aandacht te trekken en de kijker te verrassen, zoekt Claassen zijn grenzen in een ander spel: hij balanceert op de rand van herkenbaarheid, maakt zijn lijnen en vormen zo eenvoudig en minimaal mogelijk. Zo is Rat Brigid nauwelijks meer dan een reusachtige, opgevulde zak, met een vormeloze snuit en vormeloze poten. Licht opbollende oren en kuilen op de plaats van ogen geven de vorm een dierlijk karakter. Ook de buitenolifanten bij Almere krijgen vooral vorm door hun lange, iets uitstulpende oren.

Ook is Claassen een meester in contrasten. De bolle en komische, op hun rug en zij liggende gipsen auto’s die in het echte leven zwaar en degelijk zijn, maakt hij broos en doorzichtig als een eierschaal en opgeblazen als een ballon – één verkeerde beweging en de gigamodellen spatten uit elkaar. Het toch al vormeloze tentje van zanderige latexsmurrie – gemaakt door een kuil in zijn atelier af te gieten – bezwijkt bijkans onder zijn loodzware gewicht.

Soms vergroot een minimaal detail de raadselachtigheid. Een aantal figuren – het nijlpaard, de olifanten – heeft uitstekende naden als een binnenstebuiten gekeerde kinderknuffel, terwijl hun immense, abstracte betonnen of kunststof vorm neigt naar ongenaakbare rots.

De nieuwste reeks vrije werken – gemaakt tussen 2008 en 2010 – laat zien dat Claassen zijn schijnbaar wijd uitwaaierende onderwerpen geenszins willekeurig kiest. Concentreerde hij zich aanvankelijk op de meest alledaagse, onopvallende en ongeliefde dingen uit zijn atelier (Carpet, 1997), nu legt hij zich toe op onopvallende, doodgewone dingen uit zijn landelijke omgeving: een oude afgeleefde stoel, een boerentafel, de ribbels van een boerenakker en, speciaal voor deze tentoonstelling, de gigantische, gipsen botten van een (menselijk?) been alsmede metershoge rietstengels van giethars.

De combinatie van de oude stoel met de botten en de rietstengels levert het visioen van een archeologische vindplaats, waarin het leven van mens en natuur tot stilstand is gekomen. De beelden staan groots en prachtig in de ruimte en zijn sprookjesachtig om naar te kijken. De stoel met zijn roze, zacht rubberen vel waarin jaren zitten sporen heeft achtergelaten. De spierwitte, wulps bollende gipsvormen van Legwood (Benetarium), waartussen de bezoeker ronddoolt als Alice in Wonderland. De doorschijnende, maar stevig gestolde stengels van het rietlandschap.

Zo somber van kleur en zwaar van materiaal als het aardse, zanderige latex waarmee hij zijn rat en tapijt kneedde, zo lichtvoetig en kleurrijk is zijn materiaalgebruik nu: gips zo zacht, fragiel en poederig dat je het wilt aaien, giethars zo transparant en zacht van kleur, dat het oog erin verdwijnt.

Weer speelt Claassen zijn virtuoze spel, waarin de voorwerpen op de grens van herkenning balanceren. De stoel is niet meer dan een gammel skelet van droedels ijzerdraad met een flinterdun vel. De in standaards opgetilde en door de ruimte verspreide botten liggen zo ver uit elkaar en zijn zo groot, dat ze als geheel niet zijn te overzien en toch de suggestie oproepen van een been. Het gips staat broos gespannen en het normaal zo kwetsbare riet is huizenhoog, monumentaal en stevig, met venijnige rafelranden.

Meer dan ooit betovert Claassen de kijker met de schoonheid van de huid en met een subtiele, licht schurende verwondering. Want de door het leven getekende stoel en de reusachtige beelden van zijn archeologische vindplaats confronteren de bezoekers ook met hun eigen vergankelijkheid en nietigheid, en, in de botten en het riet, met de veel langere levensduur van de natuur. Het geheel is groots, monumentaal en relativerend.

Het vrije werk, tentoongesteld in een galerie of in een museum, kan naar eigen vrije wil bezocht worden. Dat mag, hoe lichtvoetig ook, schuren en confronteren. Maar de buitendieren houden zich ongevraagd op in de nabijheid van mensen. Claassen is zich daarvan bewust en wil dat de beelden vertrouwd zijn, vanzelfsprekend deel uit maken van het alledaagse leven. Met dieren is het makkelijk identificeren, vindt Claassen, en hij doet daar nog een schepje bovenop, door ze gezellig bol te maken en ze antropomorfe trekken mee te geven. Omdat het spel met de huid in de openbare ruimte niet altijd gespeeld kan worden, zoekt hij het buiten in naar abstractie neigende, kinderlijk eenvoudige vormen en lijnen. Bovendien maakt hij zijn beesten overweldigend groot.

Tegelijk is net als in zijn vrije werk, naast het vormenspel ook het relativerende vermogen van belang. Net als het paard in Utrecht, herinneren het nijlpaard in IJburg en de olifanten in Almere de bewoners aan een oerverleden, waarin van de huidige bewoners nog geen spoor was te bekennen. De mol in Best verbeeldt het boren van de treintunnel, waarop hij staat, maar laat met zijn superieure hoogte ook zijn superieure boorkracht zien, waarbij vergeleken de mens een hulpeloos wezen is. De konijnen bij de Kunsthal in Rotterdam zijn naast kinderspeelobject ook een ode aan de door myxomatose uitgeroeide konijnengroep, die ooit op dit veldje speelde.

Die subtiele herinnering aan een verleden en spiegel van bezinning verheffen de dieren tot betekenisvolle monumenten. Maar Claassen produceert zijn kleinere dieren ook in serie. Zijn honden zijn op tal van plekken in Nederland te zien. Nog altijd zijn ze buitenproportioneel groot en duiken ze op op gekke plekken, een contrast dat verbazing wekt. Maar zonder de specifieke, inhoudelijke verbintenis met hun omgeving dreigen de dieren in decoratie te vervallen. Hoeveel koddige honden, mussen en konijnen kan Nederland hebben, zonder dat het gaat vervelen? Hoe populair ook, misschien wordt het tijd voor Claassen om de buitenbeestenboel vaarwel te zeggen en zijn subtiele, contrastrijke spel met materiaal, vorm en inhoud op andere voet voort te zetten.

Meer over