Meedoen? Overheid moet weten te binden

Burgers herkennen zich niet in de nationale overheid en hebben al helemaal weinig behoefte aan Brusselse avonturen. Breng eerst het eigen huis op orde, betoogt Dik Wolfson....

De slag om Europa is in Den Haag verloren. Niet in Brussel, niet op Urk (met 91,6 procent tegen!), maar in Den Haag. Daarmee doel ik niet op een knullige ja-campagne die faalde voor het voetlicht te brengen dat de voorstanders een uit de hand gelopen avontuur wat beter beheersbaar wilden maken.

De echte crisis ligt in het gebrek aan vertrouwen tussen burger en politiek, waar iedereen het ineens weer over heeft. De kernvraag is waar die achterliggende frustraties vandaan komen, want als we dat niet weten, bestrijden we alleen symptomen.

Den Haag is nog altijd dichter bij dan Brussel en wie zijn eigen huis niet op orde heeft, moet zich daarbuiten niet te veel in avonturen begeven. Die wetmatigheid is zo oud als de politiek zelf. Het antwoord is ook een open deur: wie Europa wil verbeteren, moet bij zichzelf beginnen.

Burgers herkennen zich niet meer in hun overheid; de publieke dienstverlening sluit niet aan op hun behoeften of komt terecht bij de 'verkeerde mensen'. Intussen krijgen ze alles tegelijk over zich heen – onzekerheden over banen en inkomens die onder druk staan, een verwarrende pluriformiteit van leefstijlen en dan ook nog de zorg om de eigen identiteit binnen Europa .

Dan moet een kabinet niet roepen dat burgers meer eigen verantwoordelijkheid moeten nemen, zonder duidelijk te maken hoe het zijn eigen verplichtingen waar wil maken, met oog voor de verschillen in kennen en kunnen van de mensen die dit allemaal overkomt.

De overheid heeft haar bestuursstijl niet tijdig aangepast. Ze ziet geëmancipeerde burgers nog te vaak als onderdanen, niet als partners, en hoog opgeleide ambtenaren als uitvoerders, niet als kenniswerkers (professionals). Ze bekommert zich niet herkenbaar om de mensen die het allemaal niet kunnen bijbenen.

Anders gezegd: de overheid heeft moeite te erkennen dat ze minder goed op de hoogte is van problemen dan de burgers die er mee zitten; ze doet alsof ze luistert, maar ze blijkt hardhorend, en dan geven burgers er de brui aan. Zo verdwijnt het beleid in een zwart gat: de overheid speelt blindemannetje en de burger verstoppertje.

Begin nu eens van de andere kant. Vergeet de eenzijdige fixatie op regels, en sluit aan bij een maatschappelijke werkelijkheid waarin mensen altijd dubbelrollen spelen: als vrager en aanbieder in de economische sfeer, als kiezer en gebruiker van overheidsdiensten in het politieke bedrijf, als minnaar/

minnares en beminde in het emotionele, en ga zo maar door.

Wederkerigheid bindt mensen; dat is een waarde op zichzelf. Maak daar gebruik van. Zie de geëmancipeerde burger niet alleen als berekenend, maar ook als een potentiële partner die je kunt binden in onderlinge rekenschap, anders máák je er een calculerende burger van.

Blijf daarbij niet steken in bezweringsformules, maar zoek een operationele vorm om de relatie tussen overheid en burger opnieuw vorm te geven. Combineer recht (wetgeving, kaderstelling) en ruil (transactie) in een verdere ontplooiing van de transactiestaat. Transactie introduceert een rechtstreeks voelbare wederkerigheid door alle stadia van beleid en uitvoering heen; gelijk oversteken houdt politici, ambtenaren en burgers alle drie bij de les.

Een overheid moet binden, daar is zij voor. Wetgeving bindt ons op papier aan gemeenschappelijke waarden, maar in de uitvoering is maatwerk nodig om die betrokkenheid niet kwijt te raken. Maatwerk betekent dat je het ongelijke ook ongelijk durft te behandelen, rekening houdend met verschillen in kunnen en willen. In die nuance ligt het verschil tussen de transactiestaat en de markt: iemand die niet kan, hoeft niet, in de transactiestaat. Maar wie niet wil, verliest zijn rechten, net als op de markt. De transactiestaat brengt tegenprestaties op de maat van draagkracht en vaardigheden. Daarin ligt de sociale dimensie.

Hoe werkt dat dan? De transactiestaat formuleert wettelijke kaders voor publieke voorzieningen, en geeft daarbij aan wat de ruimte is om het ongelijke op een transparante en onderling vergelijkbare wijze ongelijk te behandelen, in maatwerk .

Over de mate waarin je maatschappelijke ongelijkheden wilt onderkennen en redresseren kun je heel verschillend denken – dat doen verschillende coalities ook – maar de democratische eis van rekenschap aan de burger verlangt wel dat je daar duidelijkheid over verschaft en parlementaire steun voor verwerft. Binnen die kaders worden, op ieder niveau van beleid en uitvoering, opdrachten geformuleerd die professionals de ruimte geven om 'hun ding' te doen; daarnaast worden er afspraken gemaakt over samenwerking met maatschappelijke organisaties. Denk daarbij aan afspraken omtrent de loonontwikkeling met de Stichting van de Arbeid en, op de werkvloer, over preventie en reïntegratie van zieke werknemers.

Er gebeurt al veel, op dit gebied, maar maat houden blijft moeilijk. Het kabinet-Kok II heeft de WAO ten langen leste op orde gebracht met een Poortwachterswet die verantwoordelijkheden en bevoegdheden toedeelt volgens het transactiemodel, met als gevolg dat de instroom inmiddels tot houdbare proporties is teruggebracht. Ga die wet dan niet weer veranderen; je kunt ook te veel beleid willen maken. Gelukkig begint een meerderheid van de Tweede Kamer daar nu ook achter te komen. Vruchtbaar zijn de vernieuwing van de bijstandswet (veel meer mensen aan het werk) en de plannen voor een Wet Maatschappelijke Ondersteuning (WMO) die de gemeenten opdraagt om een geïntegreerd beleid te voeren voor wonen, werken, welzijn en zorgverlening, in goed overleg met de mensen die het aangaat.

Afgelopen donderdag heb ik aan de ministers Zalm en Pechtold een rapport aangeboden dat laat zien waar het fout dreigt te gaan met de WAO en welke mogelijkheden er zijn om de WMO te ondersteunen met transacties, en dwarsverbanden te leggen met het grotestedenbeleid en de verplichting van woningcorporaties om voldoende te bouwen. Het gaat in op de vernieuwingen in de rechtsbescherming die in de transactiestaat nodig zijn, en op de wijze waarop een stapeling van het toezicht en een oplopen van de transactiekosten kunnen worden voorkomen. Uiteraard beschrijft het ook de grenzen van de transactiestaat: het is geen panacee, alleen al omdat de weerstanden tegen debureaucratisering groot zijn.

Zo is het bijvoorbeeld een koud kunstje voor de gemeenten om verworven beleidsmogelijkheden in de zorg weer dicht te regelen in voorschriften en een administratieve bezigheidstherapie voor bureaucraten, en dan zijn we weer terug bij af. Er zal een sterke politieke regie nodig zijn om voor ogen te blijven houden dat de combinatie van wederkerigheid, binding en rekenschap mensen uitdaagt om zich in te zetten voor gemeenschappelijke doelen. Maar een overheid die niet weet te binden krijgt dat bij iedere volgende volksraadpleging op zijn brood. Zorg nu eens dat een bezweringsformule als 'meedoen' ergens over gaat.

Meer over