Massamoord op zaterdagavond

President Nixon kapselde zich steeds verder in. Hij verzeilde in een droomwereld waarin hij dacht zich alles te kunnen permitteren....

door Henk Strabbing

LANG NIET alle juridische schermutselingen en verhoren in de Watergate-kwestie werden wereldnieuws, maar dít gonsde tot in de uithoeken der aarde. Op 16 juli 1973 werd de zoveelste medewerker van het Witte Huis gehoord door de Watergate-onderzoekscommissie van senator Sam Ervin. De man heette Alex Butterfield en was hoofd van de technische dienst van het Witte Huis. Butterfield vertelde tot stomme verbazing van senatoren, pers en publiek, dat president Nixon ook zichzelf placht af te luisteren. In 1970 was, zo legde Butterfield uit, in de werkkamer van de president apparatuur geïnstalleerd die automatisch een opnameband startte en liet meelopen wanneer stemgeluid werd opgepikt.

De draagwijdte van deze terloopse mededeling - er was nota bene niet eens naar gevraagd; Butterfield kwam er uit zichzelf mee - drong traag tot de aanwezigen door. Pas na enkele tientallen seconden stormde de eerste verslaggever de zaal uit en de rest volgde meteen. Wie achterbleef hoorde Butterfields verdere uiteenzetting: dat het systeem constant in bedrijf was en nooit was afgezet. Nixon had bij de installatie gezegd dat 'er historische doelen mee gebaat waren om het doen en laten van de president vast te leggen'. Butterfield zei even te hebben gepiekerd of hij het verhaal van de banden wel kon vertellen, maar er was niemand in het Witte HUis die hem expliciet had opgedragen het níet te doen...

Nog tijdens Butterfields verhoor kwam er een brief binnen van Fred Buzhardt, een van Nixons adviseurs. Daarin werd het bestaan van de opname-apparatuur bevestigd, maar Butterfield vergiste zich in de installatiedatum. Het systeem werkte pas sedert voorjaar 1971.

De banden zouden de spil van de Watergate-affaire worden, dat besefte iedereen. Eventuele bewijzen van Nixons medeplichtigheid zouden immers dáár gevonden moeten worden.

Het werd dus een partij touwtrekken zonder weerga tussen de president en zijn belagers. Niet alleen de commissie-Ervin, maar ook de zojuist benoemde speciale Watergate-aanklager, Archibald Cox wilde banden horen van bepaalde data waarop men kritieke presidentiële gesprekken vermoedde.

Nixon weigerde consequent en dat deed hem uiteraard geen goed bij pers en publiek. Zijn advocaat schermde veelvuldig met de begrippen executive privilege, presidential privilege en presidential privacy. De president zelf probeerde het op 15 augustus 1973 in een lange toespraak aan zijn volk uit te leggen. Hij kon de banden niet 'uitleveren', want er was een 'veel groter en belangrijker principe' mee gemoeid: de vertrouwelijkheid van de presidentiële gesprekken, zoals die ook geldt 'tussen een advocaat en zijn cliënt, tussen de priester en degeen die biecht en tussen man en vrouw'.

Als aan die vertrouwelijkheid getornd wordt, is de toekomst van het presidentschap in groot gevaar, suggereerde Nixon. Geen diplomaat zou dan meer vrij kunnen spreken in zaken van oorlog en vrede. Wanneer de banden zouden worden uitgeleverd, betekende dat een precedent waardoor het presidentschap in de toekomst zou worden uitgehold, ja zelfs 'verlamd'. Aldus Nixon.

Het maakte bitter weinig indruk. Senator Ervin en aanklager Cox wilden per se de banden hebben. Rechter John Sirica wilde op zijn beurt naar de banden luisteren om zélf te kunnen beoordelen of de inhoud zodanig was dat de president zich zou kunnen beroepen op zijn presidentieel privilege.

Op 29 augustus 1973 stuurde het Witte Huis een kort briefje die een oorlogsverklaring nabij kwam: het bevel van Sirica zou niet worden opgevolgd. De rechtbank hield evenwel strak vol dat de Amerikaanse grondwet niet voorziet in speciale onschendbaarheden voor de president. Nixon ging in beroep bij hogere gerechtelijke instanties.

Zelfs het Hooggerechtshof gaf de president ongelijk. Maar Nixon gaf nog altijd niet op. Op zaterdag 20 oktober kwam hij met een totaal onverwachte, knallende tegenstoot. Hij droeg zijn minister van Justitie, Elliott Richardson, op speciaal aanklager Archibald Cox te ontslaan. Richardson weigerde verontwaardigd en stapte zelf op. Richardsons plaatsvervanger William Ruckelshaus kreeg vervolgens dezelfde opdracht van de president, weigerde ook en werd prompt zelf ontslagen. Advocaat-generaal Robert Bork werd daarop in allerijl tot plaatsvervangend minister van Justitie benoemd. Hij ontsloeg Cox. Het bureau van de aanklager werd meteen daarop gesloten. Dat alles gebeurde binnen luttele uren.

Deze verbijsterende episode ging de geschiedenis in als The Saturday Night Massacre. Maar binnen enkele weken zouden de Amerikanen tóch kunnen smullen van ongehoorde intimiteiten, inclusief een zeer rauw gebekte Nixon, binnen de muren van het Witte Huis. Want de president, dat wist iedereen nu zeker, was met deze cavalcade aan ontslagen begonnen aan zijn allerlaatste achterhoedegevecht.

(wordt vervolgd)

Meer over